Een gemaskerde wintergast

In de afgelopen weken ben ik op zoek geweest naar de klapekster (Lanius excubitor). Een niet zo algemeen voorkomende wintergast die het op speciale gebiedjes gemunt heeft. In de stad zul je hem zeker niet aantreffen, het is een echte vogel van het open landschap, heidegebieden en zo. Hij wil wel graag een hoge zitpositie hebben om zijn jachtterrein goed te kunnen overzien. Boven in een top van een boompje of struik, of gewoon op een paal, houdt hij de omgeving goed in de gaten. En dan opeens vliegt hij op. Hij heeft iets in de gaten. Een kikker, een kever of misschien wel een klein zangvogeltje. Want dat behoort allemaal tot zijn voedsel. Je zou bijna denken dat het een roofvogel is, en dat is ook niet zo verwonderlijk. Hij heeft namelijk net zo’n haaksnavel als de roofvogels. En hij heeft nog een overeenkomst met sommige roofvogels: hij kan namelijk bidden, net als de torenvalk en de (ruigpoot)buizerd. Met zijn kop in de wind en wiekelende vleugels stil blijven hangen in de lucht. 

Zijn scherpe blik gefocust op een prooi op de grond. (Daar heb ik gelukkig ook een foto van kunnen maken, maar helaas van een wat mindere kwaliteit. Zie links.)

 

 

 

 

 

En als hij dat hapje dan te pakken heeft, zijn er twee keuzes. Of hij peuzelt ze op een stil plekje op z’n gemakje op, of hij spietst ze op een doorn van een struik of gewoon op een stuk prikkeldraad. Als voorraadje voor als het minder gaat. Als je geluk hebt, kun je in het veld zo’n voorraadje aantreffen. Hieronder twee foto’s die ik gemaakt heb van gespietste levendbarende hagedissen, beiden ten prooi gevallen aan de klapekster op het Balloërveld (Dr).

 

 

 

 

 

Babbelende schildwacht

Het is altijd grappig als je ziet wat de wetenschappelijke naam betekent, maar zeker ook waar de Nederlandse naam vandaan komt. In het geval van de klapekster betekent de wetenschappelijke naam slachter (lanius) en schildwacht (excubitor). Het slachten zal van zijn wijze van foerageren komen en de schildwacht duidt wellicht op zijn waakzaamheid. De Nederlandse naam heeft niks te maken met klappen zoals we met de handen doen (wat overigens volgens een bevriend boswachter de fantasierijke wetenschappelijke naam opleverde van Pica applaudicus (Pica is de familienaam van de ekster)). Maar wel met babbelen, kletsen, wat bevestigd wordt in het Groot Scheldwoordenboek van De Coster uit 2007. Een referentie naar de Vlaamse taalkundige Teirlinck uit het begin van de vorige eeuw geeft ook deze betekenis weer. De dichter Gerrit Komrij gebruikte de klapekster in zijn boek Horen, zien en zwijgen. Vreugdetranen over de treurbuis uit 1977: Leuterkousen, klapeksters, kakelaars en kletsmajoors promoveren bij de omroepen het snelst. Klapeksters hebben dus in de loop der jaren de naam (en faam) gekregen van kletskous, maar als je zijn zang beluistert zou je dat toch niet direct denken. Deze is vrij zacht met af en toe wat luidere krassende of fluitende tonen, niet iets wat je van een kletsmajoor zou verwachten.

 

Woeste gronden

De klapekster kom je tegenwoordig in Nederland alleen in de winter tegen. Vaak keren ze ieder jaar terug naar dezelfde gebiedjes. Het zijn veelal exemplaren uit Scandinavië, het oosten van Duitsland, Polen en verder, die hier doortrekken naar het zuiden of, als de temperaturen niet te ver zakken, hier blijven overwinteren. Vroeger was het ook een broedvogel in ons land, maar aan het eind van de tweede helft van de vorige eeuw is hij als broedvogel verdwenen en na een laatste broedgeval in 1999 is er geen meer vastgesteld. En niet alleen in ons land maar ook in de omringende landen zijn de aantallen klapekster eind vorige eeuw in rap tempo afgenomen. De oorzaak is onder meer te zoeken in het het verdwijnen van zogenaamde “woeste gronden”, omdat alle natuur blijkbaar netjes aangeharkt moet zijn. Ook nam het prooiaanbod af, onder meer door verzuring en vermesting in de leefgebieden. Alleen in de winter kun je ze hier dus nog tegenkomen, ongeveer vanaf half oktober tot eind maart. Een paar honderd vogels overwinteren dan in ons land. De aantallen schommelen echter sterk, de vogel wordt dan ook ernstig bedreigd en staat op de rode lijst

 

De grauwe klauwier

Je zou in de zomer kunnen denken dat je toch een klapekster ziet zitten, hoog in een boompje ergens op een heideveld. Vrijwel zeker dat het geen klapekster is, maar een grauwe klauwier (Lanius collurio), een zeer goed gelijkend familielid. Het mannetje van deze soort heeft ook dat typische zwarte Zorro-masker en verder hebben zij ook een haaksnavel, zij het bij de klauwier iets minder dan de klapekster. Ook het opspietsen van prooien is iets wat de grauwe klauwier doet. Het zit in de familie, zullen we maar zeggen. Helaas treft de grauwe klauwier hetzelfde lot als de klapekster en staat ook deze soort op de rode lijst. Onder meer door het aanleggen van ruige gebiedjes en overhoekjes met struiken en boompjes (waar het landschap vroeger dik mee bezaaid was) worden pogingen gedaan Nederland weer aantrekkelijk te maken voor deze soorten. Zoals in de omgeving van Muntendam, een project dat elders in het land zeker navolging verdient. Hoewel deze projecten voornamelijk gericht zijn op de grauwe klauwier, zal ook de klapekster er de vruchten van plukken. En wie weet keert ook deze schuwe Zorro-vogel ooit nog een keer terug als broedvogel. 

 

 

 

 

 

Dit blogje is geplaatst in de categorie Vogels. Nieuwsgierig geworden? Kijk hier voor meer blogjes van mij over vogels.

Deze bijdrage is geplaatst in de categorie Natuur, Vogels.

6 reacties op “De klapekster: de Zorro-vogel

  1. Leuk artikel. Wij hebben ze bijna niet in onze buurt. Toevallig eentje op onze dijk, precies tijdens het klapekster telweekeind in januari 2012…..
    groetjes Ingrid 🙂

Vond je het een leuk verhaal? Reageer als je dat wilt.