Van 3 tot en met 25 juli 2021 organiseerde de Vlinderstichting voor de dertiende keer de tuinvlindertelling. Er werden meer dan tienduizend tellingen doorgegeven uit 4100 tuinen. En totaal bedroeg het aantal getelde vlinders bijna 110 000. Onbetwiste winnaar dit jaar was de atalanta (Vanessa atalanta) die in 84% van de tuinen gezien werd. Tweede werd de dagpauwoog (Aglais io) en derde het klein koolwitje (Pieris rapae). Uiteraard heb ik ook een paar tellingen gedaan, waarbij meteen duidelijk werd dat we nu een heel ander type tuin hebben dan bij ons oude huis in Tjuchem. Het zwartsprietdikkopje (Thymelicus lineola) stak bij ons met kop en schouders boven de rest uit, ik telde er zeker vijftien. Duidelijk een vlindertje van grassen en kruiden, die beiden in onze tuin volop aanwezig zijn. Landelijk gezien eindigde dit vlindertje op de 24e plaats. Een paar plaatsen hoger, op nummer 21, eindigde een dagvlinder waar ik het in dit blogje over ga hebben: het landkaartje (Araschnia levana). De resultaten van de tuinvlindertelling 2021 zijn hier te vinden.

Geografische naam

Allereerst natuurlijk die misschien vreemde naam van deze dagvlinder. Wat heeft deze vlinder nu met een landkaart te maken? De verklaring hiervoor is simpel: kijk maar eens naar de onderkant van de vleugels. Met een beetje fantasie heeft het patroon wat weg van een landkaart, met velden die doorsneden worden door wegen, een brede band als een rivier en stippen die lijken op dorpen en steden. Niet alleen de Nederlandse naamgevers dachten aan een landkaart bij deze vlinder, maar ook in andere landen wordt verwezen naar een landkaart. Zo heet de vlinder in Duitsland Landkärtchen en in Frankrijk carte géographique. Ook de Zweden (kartfjäril) en Noren (kartvinge) doen dit, maar de Denen bijvoorbeeld niet. Die noemen hem nældesommerfuglen, wat brandnetelvlinder betekent, verwijzend naar een van de waardplanten. In Engeland wordt de vlinder the map (butterfly) genoemd, map is Engels voor landkaart. Het is daarbij wel bijzonder dat het landkaartje op het Engelse eiland in het geheel niet voorkomt. Wanneer en in welke taal men begonnen is om dit vlindertje landkaartje te noemen heb ik – nog – niet kunnen vinden, maar aangezien deze naam zo wijd verspreid is, moet dat wel heel wat eeuwen geleden zijn geweest.

Twee generaties

Zoals meer dagvlinders kent het landkaartje twee generaties per jaar. Vanaf april zie je de eerste landkaartjes vliegen. Die hebben het jaar ervoor rond augustus-september het levenslicht gezien als rups om vervolgens de winter in te gaan als pop. Deze eerste generatie landkaartjes, zoals we die noemen, zetten in april-mei hun eitjes af. Niet lang erna komen de rupsen tevoorschijn die rond juni-juli verpoppen en enige tijd later alweer uitvliegen als vlinder, de tweede generatie. En die zetten in augustus-september weer hun eitjes af en het verhaal begint weer opnieuw. Het ei-rups-pop stadium van de tweede generatie duurt dus slechts enkele weken. Door de overwinteringsperiode van enkele maanden duurt die van de eerste generatie tot wel acht maanden. Zoals gezegd zijn er meer dagvlinders die twee generaties per jaar kennen, zoals de gehakkelde aurelia (Polygonia c-album), het groot koolwitje (Pieris brassicae) en de kleine vos (Aglais urticae). Het klein koolwitje (Pieris rapae) kent zelfs drie generaties en in sommige mooie jaren wel vier. Overigens komen er sinds een jaar of twintig ook van het landkaartje steeds vaker drie generaties voor.

Twee verschillende soorten?

Dat een dagvlinder meerdere generaties kent is dus geen uitzondering. En toch is er bij het landkaartje iets bijzonders aan de hand. De vlinders van de eerste en tweede generatie zijn namelijk heel anders van kleur. De voorjaarsgeneratie is oranje gekleurd met zwarte vlekken en een paar witte kleinere vlekjes. De tweede, de zomergeneratie, heeft zwarte vleugels met witte banden en fijne oranje streepjes. Kijk onderaan het blog maar bij de foto’s, waar je de verschillen goed kunt zien. Als je niet beter zou weten zou je denken dat het twee verschillende vlinders zijn. Linnaeus zag er ook twee verschillende soorten in en noemde ze in zijn Systema Naturae (1758) respectievelijk Papilio levana voor de voorjaarsvorm en Papilio prorsa voor de zomergeneratie (zie de afbeelding links). Linnaeus scheerde met de geslachtsnaam Papilio alle dagvlinders gemakshalve over een kam. Later werd hier door verschillende entomologen (insectendeskundigen) verder onderscheid in aangebracht en ontstonden er meerdere vlinderfamilies. De geslachtsnaam Papilio bleef wel bestaan voor de pages (bijvoorbeeld de koninginnenpage (Papilio machaon) als onderdeel van de familie Papilionidae.

De Duitse entomoloog Jakob Hübner beschreef in zijn Verzeichnis bekannter Schmetterlinge in 1816 ook twee soorten voor het landkaartje. Maar hij bracht ze onder in een apart geslacht Araschnia, onder de familie van de vossen, parelmoervlinders en weerschijnvlinders (Nymphalidae). De landkaartjes gingen vanaf dat moment door het leven als Araschnia levana én A. prorsa (zie de afbeelding links). De geslachtsnaam Araschnia komt overigens van het Griekse αράχνη (aráchni), wat spin betekent en verwijst weer naar het patroon op de onderkant van de vleugels, waar je ook een spinnenweb in kunt zien.

Dimorfie

Op een gegeven moment ontdekte men dat het niet twee verschillende soorten vlinders waren, maar een en dezelfde. En de wijze waarop de onderzoeker(s) erachter kwamen was vrij simpel: uit eitjes die afgezet waren door de voorjaarsvorm kwamen vlinders van de zomervorm. Dan moest het dus wel een en dezelfde soort zijn. Wanneer dat gegeven moment was en wie de ontdekker(s) was of waren heb ik overigens – nog – niet kunnen vinden. Een verrassende ontdekking, dat was het zeer zeker. Het fenomeen dat er uiterlijke verschillen zijn tussen dieren van dezelfde soort wordt dimorfie genoemd. Een heel bekende vorm is de seksuele dimorfie, bijvoorbeeld de verschillen tussen mannetjes en vrouwtjes bij veel vogelsoorten. Denk aan de ringmus (Passer montanus), de torenvalk (Falco tinnunculus) en de merel (Turdus merula) waarbij de verschillen duidelijk zichtbaar zijn. Bij andere soorten is het verschil subtieler, zoals bij de ijsvogel (Alcedo atthis) waar het mannetje een volledig zwarte snavel heeft en het vrouwtje een oranje ondersnavel. Een ander mooi voorbeeld van seksuele dimorfie (ook wel geslachtsdimorfie) is de kleine wintervlinder (Operophtera brumata) en andere nachtvlindersoorten, waarvan het vrouwtje niet kan vliegen omdat haar vleugels tot stompjes verworden zijn.

Seizoensdimorfie

Bij het landkaartjes is er geen sprake van seksuele dimorfie, maar van seizoensdimorfie. Het is dus afhankelijk van het seizoen welke vorm er tevoorschijn komt. En die selectie start niet in het ei, maar in het rupsstadium. Na experimenten rond 1950 dacht men dat uitsluitend de temperatuur hier debet aan was. Een lage temperatuur resulteert in de voorjaarsvorm (soms ook wel A. levana forma levana genoemd), een hoge omgevingstemerpatuur zorgt voor de zomervorm (A. levana f. prorsa). Later onderzoek wees uit dat hier een kern van waarheid in zit, maar dat de factor daglicht een nog veel grotere rol speelt. Als de rups 16 uur of meer aan daglicht wordt blootgesteld ontstaat de zomervorm. Bij 15,5 uur en minder ontstaat in de meeste gevallen de voorjaarsvorm. Aangezien de vlinder als pop de winter ingaat, krijgt de rups in het najaar aanzienlijk minder daglicht dan de rupsjes die in april en mei rondkruipen. In de afbeelding hieronder, uit een onderzoek uit 2018 van Arne Baudach en Andreas Vilcinskas naar seizoensgebonden dimorfie, is dat mooi weergegeven. Het is een complex verschijnsel, waarbij onder meer het tijdstip van de afgifte van een bepaald hormoon (20-hydroxyecdyson) na de verpopping bepaalt of deze als pop gaat overwinteren of na enkele weken als landkaartje in de zomervorm gaat rondfladderen. Overigens is uit onderzoeken ook gebleken dat er niet alleen qua kleur verschil is tussen de twee generaties, maar bijvoorbeeld ook hoe de vlinder met antistoffen reageert op bacteriën, virussen en parasieten (immunocompetentie).

Derde generatie en tussenvorm

Bij een lange en warme nazomer kan het overigens ook nog gebeuren dat de pop alsnog binnen enkele weken uitkomt en er dus een derde generatie landkaartjes tevoorschijn komt. Iets dat door de klimaatsverandering de laatste jaren steeds vaker gebeurt. Die heeft qua kleur iets van zowel de voorjaars- als van de zomervorm. Een koude en sombere periode in juni-juli kan er aan de andere kant voor zorgen dat die hormonen en genen een beetje in de war raken en er een tussenvorm ontstaat. Ook die tussenvorm heeft qua kleur een combinatie van de eerste en tweede generatie. Overigens is het aantal landkaartjes in de zomer altijd hoger dan van de voorjaarsgeneratie. Dat komt doordat de overlevingskansen van de poppen in de winter beduidend lager zijn dan in de zomer. De twee pieken zijn op het grafiekje hiernaast van de Vlinderstichting goed te zien.

Op dit moment vliegen er volop landkaartjes van de tweede generatie. Kijk maar eens goed en misschien vind je wel een tussenvorm. En volgend voorjaar weer letten op de oranje eerste generatie. Je weet nu dat het gewoon de zelfde vlinder is.

Bronnen:

Deze bijdrage is geplaatst in de categorie Dagvlinders.

24 reacties op “Van de kaart…

  1. Je hebt weer een mooi en leerzaam verhaal neergezet.
    Zelf heb ik alleen de donkere vorm gezien. In de vlucht dacht ik even dat het de kleine ijsvogelvlinder was door de witte streep.
    Dankjewel weer voor je blog. Ik leer elke keer weer bij.
    Blijf gezond!

    Groetjes Ellen

  2. Zeker een leerzame blog. Toen ik voor het eerst een landkaartje fotografeerde dacht ik dat het een parelmoervlinder was, toen ik het ging opzoeken kreeg ik tot mijn verbazing te lezen dat het een landkaartje 1ste generatie was.

  3. Wat een prachtig en wonderlijk gegeven, seizoensdimorfie. Ik heb weer bijgeleerd! Mooi blog Theo, over een bijzondere vlinder!

  4. Een ontzettend mooi en leerzaam verhaal Theo! Veel was mij al bekend, echter bevat het een aantal interessante nieuwigheden. En ik ga zeker op de tussenvorm letten, want daar was ik niet van op de hoogte.

  5. Super! Deze uitleg van je over seizoensgebonden en sexuele demorfie is uiterst goed uitgelegd en heel leerzaam ook Theo! Fijn te weten weer dit wonderbaarlijke natuurverschijnsel.
    Ook de Fransen noemen ’t Landkaartje papillon la carte, wat ook weer ‘de kaart’ betekent
    Dankjewel weer!

  6. Hallo Theo, iedere keer weer een verrassing waar je mee komt. Mooie blog over een mooi vlindertje. Ik heb hem een paar keer in de tuin gehad ( Gravenburg, Groningen). Vanaf nu zal ik ongetwijfeld scherper kijken naar de voor-en najaarsvorm. Dank voor je plezierige les.

  7. Weer een mooi en interessant blogje. Super broer. Maar ja we hebben ook zoveel mooie vlinders, ook al zien wij ze niet altijd.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*
*
Website