De sleedoornpage

  • Leestijd:8 min. lezen

Als er een verkiezing zou zijn van de mooiste dagvlinder in ons land, dan zou van mij de sleedoornpage (Thecla betulae) toch wel bij de eerste vijf eindigen. De prachtige lichtbruine onderkant van de vleugel met een met wit omzoomde oranje band over de achtervleugel. En aan de achtervleugel een vrij groot staartje. Een opvallende verschijning dus. En toch moet je er je best voor doen om deze vlinder tegen het lijf te lopen. Het is namelijk een zeldzame soort die maar op een aantal verspreide plekken in ons land voorkomt. Onder meer in Overijssel zitten een paar populaties, waarbij Zwolle wel een echte hotspot is. En verder op een paar locaties in Zuid-Limburg, Utrecht en langs de randen van de Veluwe. De verspreiding over het land is al enkele decennia gelijk, sinds 1990 is daar nauwelijks verandering in gekomen. Voor 1990 kwam de sleedoornpage echter ook nog in andere gebieden voor, zoals Zuid-Beveland, maar ook langs het stroomgebied van de Maas in Limburg en rond de stad Groningen. Zie het verspreidingskaartje van de afgelopen decennia hieronder.

Verspreiding sleedoornpage (bron: Vlinderstichting)

Gradiënt

Zoals de naam al doet vermoeden is de belangrijkste waardplant van de sleedoornpage de sleedoorn (Prunus spinoza). Maar soms worden ook andere leden van het geslacht Prunus als waardplant gebruikt, waaronder de pruim (Prunus domestica). (Op basis van de wetenschappelijke naam zou je echter een andere waardplant verwachten, namelijk de berk (Betula). De mannetjes van de sleedoornpage verzamelen zich graag rond de toppen van vrijstaande bomen, waaronder de berk, om vervolgens met een dwarrelende vlucht naar beneden te vliegen. Linnaeus heeft destijds daardoor waarschijnlijk gedacht dat de berk de waardplant van de sleedoornpage was.) De sleedoorn is een inheemse struik die van nature in de Benelux voorkomt. Je kunt hem ook in heel Nederland tegenkomen. Kenmerkend voor de sleedoorn is dat het een zogenaamde naaktbloeiende struik is. Dat wil zeggen dat de bloemen al verschijnen voordat er ook maar één groen blaadje aan de boom zit. Dat bloeien doen ze in het vroege voorjaar in maart en april en de bloemen vormen een belangrijke nectarbron voor allerlei insecten. De sleedoorn is met name langs bosranden te vinden en is een belangrijk onderdeel van de zogenaamde ecologische gradiënt. Dat is de overgang tussen verschillende habitats, bijvoorbeeld van bos naar grasland. Zo krijg je een geleidelijke overgang tussen die twee.

Natuurwaarde

Een gradiënt is erg belangrijk voor de biodiversiteit. Zo kunnen bijvoorbeeld zowel vogels als insecten de struiken in het overgangsgebied gebruiken als schuilplaats. De sleedoorn heeft zogenaamde worteluitlopers, dus op de wortels die onder het oppervlak horizontaal groeien vormen zich nieuwe sleedoorns. Daardoor kunnen de struiken heel dicht opeen staan en vormen ze een haast ondoordringbaar struweel door de takken die in elkaar vervlochten raken. Vogels gebruiken het dichte struikgewas om hun nesten in te maken. De dichte structuur van de struiken in combinatie met de doorns op de sleedoorn vormen een natuurlijke bescherming tegen veel predatoren. Die dichte hagen van sleedoorn, vaak in combinatie met meidoorn (Crataegus), werden vaak toegepast als een natuurlijke afscheiding tussen weilanden.

Selectieve vlinder

De sleedoorn is niet erg kieskeurig wat grondsoort betreft. Of hij nu met zijn wortels in de kleigrond, lemige grond, zandgrond of kalkrijke grond staat, hij heeft het overal naar zijn zin. Dat is nog een reden dat je de sleedoorn in heel het land kunt aantreffen. Maar waarom zie je dan niet overal sleedoornpages? Waarom zijn ze zo zeldzaam? Je zou immers verwachten dat ook deze wel wijd verspreid zouden voorkomen. Een van de redenen is dat de sleedoornpage, in tegenstelling tot de sleedoorn, wel eisen stelt aan de grondsoort. Ze zitten namelijk het liefst in gebieden met een overgang van warme en droge zandgronden naar vochtige klei en veen. Verder zijn de vlinders gevoelig voor extreme weersomstandigheden, zowel langdurig koel als aanhoudend warm en droog weer. Dat alles maakt dat de sleedoornpage niet overal voorkomt waar er sleedoorn groeit.

Verdwijnen van habitat

Maar er is meer aan de hand. Aan het begin van de twintigste eeuw kwam de sleedoornpage in de eerder genoemde gebieden weliswaar verspreid, maar vrij algemeen voor. Rond 1910-1920 wordt een aanzienlijke afname gemeld, daarna leek de populatie tot de vijftiger jaren redelijk stabiel. Sinds de jaren zestig gaat de soort echter flink achteruit en is het een zeldzame soort geworden. Die afname is voor een groot deel te wijten aan het verdwijnen van de slee- en meidoornhagen. Onder meer omdat deze hagen veel onderhoud vergen, want ze moeten regelmatig gesnoeid worden. Anders groeien ze uit tot bomen van zo’n zes meter hoogte en wordt het afschermend karakter teniet gedaan. Daarnaast speelt ook de ruilverkaveling en schaalvergroting in de veeteelt een rol. De kruidenrijke graslanden van weleer vol insectenleven zijn kale grasvlaktes geworden en de slee- en meidoornhagen hebben plaatsgemaakt voor prikkeldraad.

Weinig mobiel

Door het verwijderen van sleedoornstruwelen, maar ook doordat bestaande hagen vaak in één keer allemaal gesnoeid worden, zijn de leefgebieden voor de sleedoornpages erg versnipperd geraakt. Waar voorheen de verschillende populaties redelijk in verbinding stonden met elkaar, liggen de gebiedjes nu als eilandjes ver van elkaar. De sleedoornpage is niet erg mobiel. Dat wil zeggen dat deze geen kilometers vliegt om in een nieuw – potentieel – leefgebied te komen. Ze vliegen hooguit een paar honderd meter en open vlaktes schuwen ze al helemaal. Daardoor zullen ze zelden een andere groep sleedoornpages bereiken, wat uiteraard ook gevolgen heeft voor de sterkte van een populatie. Alle vlinders binnen zo’n afgescheiden populatie zijn immers ‘familie’ van elkaar en dus ontstaat er gauw inteelt. Dat kan lang goed gaan, maar op een gegeven moment is er te weinig genetische variatie meer, wat tot verzwakking van de populatie kan leiden.

Jonge uitlopers

Een ander probleem is dat de vrouwtjes de eitjes alleen maar afzetten op de jonge uitlopers van de sleedoorn. De vlinder heeft dus niks aan oude sleedoorns, er zal sprake moeten zijn van verjonging. In de natuur, maar ook in het kleinschalig cultuurlandschap met slee- en meidoornstruwelen als afscheiding tussen de weilanden, gaat deze verjonging vanzelf door vraat van koeien, maar ook herten en reeën. Door het ontbreken van de vraat zal verjonging gestimuleerd moeten worden door snoeien. En daar gaat het helaas ook vaak fout. Teveel snoeien kan funest zijn, zeker als er takken gesnoeid worden waar eitjes op zitten. Daarom is gefaseerd snoeien van belang, dus het eerste jaar een derde van de sleedoorn op een bepaalde plek, twee jaar later weer een ander derde deel en twee jaar daarna het resterende deel. En vervolgens weer van voren af aan. Op deze wijze is er voldoende twee- en driejarig hout, wat de voorkeur heeft van het vrouwtje om de eitjes op af te zetten. Daarnaast is het aan te bevelen om voorafgaand aan de snoei de takken van de sleedoorns te controleren op eitjes en deze takken te markeren. Deze arbeidsintensieve en tijdrovende klus wordt in sommige gebieden waar de sleedoornpage voorkomt door een groep vrijwilligers in de wintermaanden gedaan. Wanneer de sleedoorn zijn blad verloren heeft is het makkelijker zoeken, al blijft het monnikenwerk. De eitjes zijn namelijk erg klein en je ziet ze daardoor makkelijk over het hoofd.

Korte tong

De eitjes van de sleedoornpage overwinteren op de takken van de sleedoorn. In het voorjaar na de bloei van de sleedoorn komen de rupsjes uit en voeden zich met de jonge verse blaadjes van de waardplant. De imago’s voeden zich overigens met honingdauw op de bladeren. En verder met nectar dat ze onder meer uit de bloemen van vuilboom ofwel sporkehout (Frangula alnus) en guldenroede (Solidago sp.) halen. De reden dat ze juist deze bloemen uitkiezen is omdat sleedoornpages een korte roltong hebben, waardoor ze afhankelijk zijn van bloemen waarvan de nectar makkelijk te bereiken is.

Behoud van de sleedoornpage

Dankzij de inzet van vele vrijwilligers en goed overleg met terreinbeheerders en de bedrijven die het snoeiwerk uitvoeren kunnen de bestaande populaties van de sleedoornpage het nog redden. Maar het moet maar één keer fout gaan, bijvoorbeeld door het grootschalig maaien van sleedoornstruweel zoals in 2019 bij de Kraaijenbergse plassen in Noord-Brabant is gebeurd. Daardoor was een hele populatie sleedoornpages voorgoed verdwenen. Gelukkig kwam de soort ook in andere delen van dit gebied voor en heeft zich daardoor wel weten herstellen. Maar het toont wel aan dat juist bij dit soort kwetsbare soorten het terreinbeheer goed afgestemd en gemonitord moet worden. Het is van groot belang dat de sleedoornpages, net als eigenlijk alle insecten, gekoesterd worden om ze te behoeden voor de ondergang. Want gaan de insecten ten onder, dan volgt uiteindelijk de mens.

Bronnen en meer informatie

Dit bericht heeft 3 reacties

  1. Ellen

    Theo, dankjewel voor je duidelijke verhaal over deze prachtige vlinder. Wat ontzettend jammer dat het in Noord-Brabant zo fout is gegaan dat er een hele populatie voorgoed is verdwenen. Ik hoop dat het een keer tot terugkeer kan komen….ik ben er in ieder geval op voorbereid want wij hebben veel sleedoorns en meidoorns in de tuin staan.
    Groetjes Ellen uit Waalwijk

    1. Theo

      Graag gedaan Ellen. Zeker jammer, terwijl het zo eenvoudig voorkomen had kunnen worden. Maar ik zie net op waarneming.nl dat mijn informatie niet helemaal juist was en er toch eitjes in dat gebied aangetroffen zijn.
      Wij hebben ook voldoende slee- en meidoorns in de tuin (naast Gelderse roos, vuilboom, kardinaalsmuts en nog veel meer inheemse struiken). Zoals je kunt lezen is er meer voor nodig dan alleen de sleedoornstruiken. Maar je kunt maar beter goed voorbereid zijn, want wie weet…?

      1. Ellen

        we duimen voor herstel en in onze tuin zijn zeker genoeg inheemse soorten.

Geef een reactie