Nieuwe namen voor nachtvlinders

  • Leestijd:11 min. lezen

Alle bekende organismen op aarde hebben een wetenschappelijke naam. De Zweedse wetenschapper Carl Linnaeus is halverwege de achttiende eeuw de grondlegger geweest van deze naamgeving zoals we die nu nog steeds hanteren. In zijn werken gebruikte hij als eerste systematisch de zogenaamde binominale nomenclatuur, ofwel een combinatie van twee namen voor een soort. Als eerste de geslachtsnaam en daarna de soortnaam. Als voorbeeld de naam van de dagpauwoog, dat is Aglais io. Aglais is de geslachtsnaam en io de soortnaam. Van een geslacht kunnen er meer soorten zijn. Zo heet de kleine vos Aglais urticae. Beiden horen zij tot het geslacht Aglais. Na Linnaeus zijn veel wetenschappelijke namen nog wel eens gewijzigd. Bijvoorbeeld omdat men tot het inzicht kwam dat een soort tot een ander geslacht behoorde. Of dat een geslacht onderdeel was van een andere familie. Zo gebruikte Linnaeus voor de dagpauwoog oorspronkelijk de naam Papilio io.

Geen willekeur

Er worden nog steeds nieuwe soorten ontdekt, die krijgen uiteraard ook een binaire (dubbele) wetenschappelijke naam. Dat geldt ook voor soorten die al lang uitgestorven zijn. Want je wilt natuurlijk wel zeker weten dat je het over het zelfde organisme hebt. Bij het toekennen van de wetenschappelijke namen is er geen sprake van willekeur. De namen worden immers internationaal gebruikt en dan is enige overeenstemming wel makkelijk. Voor dieren en andere soorten die als dier kunnen worden beschouwd ligt de werkwijze vast in de International Code of Zoological Nomenclature. Deze wordt vastgesteld door de International Commission on Zoological Nomenclature (ICZN). Voor planten, algen en schimmels is er een andere handleiding, namelijk de International Code of Nomenclature for algae, fungi, and plants (ICN). En die wordt vastgesteld door het Internationaal Botanisch Congres. En zo krijgen alle organismen op aarde een wetenschappelijke naam. Soms zitten daar ook controversiële namen tussen. Zoals bijvoorbeeld de Anophthalmus hitleri. Die werd door zijn ontdekker, de Oostenrijkse entomoloog Oskar Scheibel, in 1937 uit bewondering genoemd naar Adolf Hitler. De naam van dit diertje is daarna nooit aangepast. De code beschrijft namelijk niet hoe moet worden omgegaan met namen die, bij nader inzien, aanstootgevend zijn.
Er wordt trouwens vaak gesproken over de Latijnse naam, maar dat is niet geheel juist. Veel wetenschappelijke namen zijn namelijk gebaseerd op onder meer Griekse woorden of ‘verlatijnste’ fantasienamen. Daarom is het beter om de term wetenschappelijke naam te gebruiken.

Nederlandse namen

Naast een wetenschappelijke naam hebben veel organismen ook een Nederlandse naam. En dat geldt niet alleen voor soorten die in ons land voorkomen. Ook voor soorten in het buitenland verzinnen we graag een Nederlandse naam. Daarin zijn we als Nederland overigens niet uniek, want dat is in heel veel landen zo. Het is natuurlijk veel makkelijker om aan je familie en vrienden te laten weten dat je op vakantie in Australie de vrij zeldzame teugelstekelstaartkangoeroe gezien hebt in plaats van een Onychogalea frenata. Niet zo verwonderlijk dus dat we voor onze inheemse planten en dieren ook graag een naam hebben die goed uit te spreken is, zonder dat je je tong hoeft te breken over de wetenschappelijke naam. Het komt wellicht heel bijzonder over dat je in je tuin een Scathophaga stercoraria hebt gezien. Dat klinkt wel een stuk interessanter dan strontvlieg.

Vlindernamen

Lange tijd hadden dag- en nachtvlinders in ons land geen Nederlandse naam. Nou ja, geen naam, dat klopt niet helemaal. Veel dagvlinders, maar ook een groot aantal nachtvlinders hadden wel namen. Meerdere namen zelfs, vaak streekgebonden en dat maakte de verwarring groot. Zoals de atalanta (Vanessa atalanta). Die werd her en der admiraal of admiraalsvlinder genoemd (vergelijk met zijn Engelse naam admiral). Maar ook de naam nummervlinder of nommervlinder werd gebruikt. En het groentje (Callophrys rubi) werd ook wel braamstruikvlindertje genoemd. En onze koningin onder de dagvlinders, de koninginnenpage (Papilio machaon) ging hier en daar als ridderkapel of zwaluwstaart door het leven. Na langjarig onderzoek naar het voorkomen van dagvlinders verscheen in 1989 de Atlas van de Nederlandse dagvlinders van ir. M.H.Tax, een uitgave van de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland en De Vlinderstichting. Voor deze uitgave hadden niet alleen honderden vrijwilligers tellingen verricht (tellingen die overigens nog steeds plaatsvinden), maar was er ook een standaardlijst van de dagvlinders opgesteld. Alle dagvlindersoorten die in ons land voorkwamen gingen vanaf toen met een eenduidige naam door het leven.

En ook voor de nachtvlinders

Eind vorige eeuw kwam ook steeds vaker de vraag om ook voor de nachtvlinders een standaardoverzicht te maken van de namen. Deze vraag kwam vanuit twee invalshoeken. Ten eerste gingen steeds meer mensen zich bezighouden met nachtvlinders. Een Nederlandse naam werkt dan wat makkelijker dan de wetenschappelijke namen. Ten tweede kunnen de wetenschappelijke namen door gewijzigde inzichten nog wel eens veranderen, maar de Nederlandse naam blijft dan wel het zelfde. Dat vaststellen van de namen was geen sinecure, want waar het bij de dagvlinders om hooguit een zeventigtal soorten ging, voor nachtvlinders betreft het ruim 2400 soorten. Men heeft zich in eerste instantie daarom beperkt tot de macronachtvlinders, altijd toch nog goed voor zo’n 900 soorten. Het belangrijkste uitgangspunt daarbij was zoveel mogelijk gebruik te maken van de oudste en meest algemeen gehanteerde soortnaam.

Vreemde namen

Veel nachtvlinders hebben hun naam van oudsher te danken aan de waardplant. Dat komt onder meer doordat men in vroeger tijden de rupsen op de waardplanten ving en deze opkweekten tot ze uiteindelijk als imago tevoorschijn kwamen. Niet alleen de waardplant speelde een rol, maar bijvoorbeeld ook de vorm of het gedrag van de rups. Zo heeft de rups van de eekhoorn (Stauropus fagi) de achterzijde van het lijf opgekruld langs het lichaam. Het lijkt wel een beetje op de staart van de eekhoorn (Sciurus vulgaris). En zo kreeg de vlinder de naam van dit zoogdier mee. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor het kameeltje (Notodonta ziczac). De rups van deze vlinder heeft twee bultjes op de rug, waar hij zijn naam aan te danken heeft. Er is ook een dromedaris (Notodonta dromedarius). De wetenschappelijke naam was al bedacht door Linnaeus en in het Nederlands hebben we de soortnaam overgenomen. Linnaeus liet zich bij de naamgeving niet leiden door een bultje op de rug van de rups, maar door het bultje dat op de rug zichtbaar is als de vlinder in rust zit. Dit zijn zogenaamde schubbenpluimpjes die op de voorvleugels zitten. De dromedaris is niet de enige waarbij dit zichtbaar is trouwens, dit is bij meer vlinders uit de familie van de tandvlinders (Notodontidae) het geval. En zo zijn er nog veel meer gekke nachtvlindernamen. Wat te denken van het pinguintje (Hedya salicella), de Italiaanse kaneelsikkelmot (Metalampra italica) of de hyena (Cosmia trapezina). Die laatste heeft zijn overigens naam te danken aan het feit dat de rupsen kannibalistisch zijn en andere rupsen eten.

Wilg versus populier

Bij de naamgeving begin deze eeuw zijn er ook wel eens zaken over het hoofd gezien. Zo ging de wilgenhermelijnvlinder (Furcula bifida) al heel lang onder deze naam door het leven. En deze naam wekt de suggestie dat de wilg (Salix) de belangrijkste waardplant is. Dat is echter niet het geval, want de populier (Populus) is namelijk de waardplant. Dus eigenlijk zou deze vlinder populierenhermelijnvlinder moeten heten. Analoog aan de Engelse naam poplar kitten, ofwel populierenkatje. Er is overigens wel een hermelijnvlinder die het liefst op de wilg zit en dat is de kleine hermelijnvlinder (Furcula furcula). Een zelfde verhaal gaat ook op voor de wilgentandvlinder (Notodonta tritophus), ook die zit veel liever op populier dan op wilg. In Het Nachtvlinderboek uit 2019 deed Jeroen Voogd dan ook een voorzet om de Nederlandse namen van een twaalftal macronachtvlinders aan te passen. Veelal gebaseerd op vele uren veldwerk en onderzoek door Jeroen, onder meer door het zoeken naar rupsen en zelf opkweken.

En ook de micro’s

Met het Nachtvlinderboek kwam er – eindelijk – een Nederlands naslagwerk over macronachtvlinders. Tot dan toe konden de nachtvlinderaars zich overigens goed redden met de Veldgids Nachtvlinders. Dat is een Nederlandse bewerking van de Concise guide to the moths of Great Britain and Ireland van Paul Waring en Martin Townsend met illustraties van Richard Lewington. Voor de micronachtvlinders bleef het nog een beetje behelpen. Er zijn en waren wel goede buitenlandse gidsen, zoals British & Irish Moths van Chris Manley (waarin zowel de macro’s als micro’s zijn opgenomen), de Field Guide to the Micro-moths of Great Britain and Ireland van Phil Sterling en Mark Parsons, ook weer geïllustreerd door Richard Lewington of de tiendelige serie Microlepidoptera of Europe, maar het ontbrak aan een Nederlands standaardwerk. Tymo Muus heeft de afgelopen veertien jaar aan de totstandkoming van een tweedelig boek gewerkt, dat begin maart 2026 tijdens de Vlinderdag van de Vlinderstichting het levenslicht zag. Ook de micro’s hebben nu hun eigen plaatsje in de Nederlandse boekenkast verdiend.

Nieuwe namenlijst voor de microvlinders

In 2009 is er een namenlijst van de Nederlandse microvlinders gepubliceerd door de Nederlandse Entomologische Vereniging (NEV). De aanleiding hiervoor was een studiemiddag over Nederlandse insectennamen in september 2003. Tijdens deze studiemiddag was er onder meer discussie waarom insecten een Nederlandse naam zouden moeten krijgen, want de wetenschappelijke naam was toch voldoende? Er waren ook ‘voorstanders’, die onder meer het eerder genoemde argument gebruikten van toegankelijkheid. Een Nederlandse naam werkt, onder meer in de communicatie met leken, nu eenmaal makkelijker en is laagdrempeliger dan een wetenschappelijke naam. En in de ons omringende landen hebben veel insecten al langer een naam in de eigen taal. (Overigens zijn er in Engeland nog heel veel micronachtvlinders die nog geen Engelse naam hebben. Zie mijn overzicht op deze pagina.) Tymo Muus en Jaap Zwier voerden de eindredactie over deze lijst. Ondanks alle zorgvuldigheid bij de samenstelling van de lijst in 2009 kwam Muus bij zijn onderzoek en het samenstellen van zijn Mottenboek tot eenzelfde conclusie gekomen als Voogd bij de macro’s: veel van de namen van microvlinders zijn verouderd of kloppen niet. Er is vervolgens een werkgroep samengesteld met kenners van macro- en micronachtvlinders van de NEV, de Vlinderstichting en twee Vlaamse vlinderkenners. Met als resultaat dat er in oktober 2025 een lijst met herziene vlindernamen is gepubliceerd in het blad Franje van de afdelingen van de NEV die zich bezighouden met micro- en macronachtvlinders (respectievelijk de Sectie Snellen en Sectie Ter Haar).

Jakob in plaats van sint-jacob

Volgens de lijst hebben zo’n honderd micro- en macronachtvlinders een nieuwe Nederlandse naam gekregen. Niet alle voorstellen uit het Nachtvlinderboek van Jeroen Voogd zijn overgenomen. Zo blijft de bosbesuil (Conistra vaccinii) onder deze naam door het leven gaan en wordt het geen variabele winteruil. De eerder genoemde wilgenhermelijnvlinder gaat voortaan zijn waardplant wel eer aan doen en wordt populierenhermelijnvlinder. De wilgentandvlinder is, conform het voorstel van Voogd, het populierenkameeltje geworden. Naast een deel van de voorstellen van Voogd zijn er nog vele andere naamswijzigingen doorgevoerd. Zo heten de sint-jacobsvlinder (Tyria jacobaeae) en de sint-jacobsbladroller (Cochylis atricapitana) voortaan respectievelijk jakobsvlinder en jakobsbladroller. Om de eenvoudige reden dat hun naam niks met een heilige te maken heeft, maar alles met de waardplant jakobskruiskruid (Jacobaea vulgaris). Overigens schijnt de plant dan weer wel naar de heilige Jacobus de Meerdere, een van de twaalf apostelen, vernoemd te zijn. De taxusspikkelspanner (Peribatodes rhomboidaria), altijd een leuke tongbreker om deze naam goed uit te spreken tijdens een nachtvlinderavond, luistert voortaan naar de naam schaduwspikkelspanner. Deze vlinder heeft een breed spectrum van loofbomen en struiken als waardplant, waaronder kamperfoelie (Lonicera), wilg en clematis, maar in ieder geval niet de taxus.

Twaalf nieuwe namen

Ik zag de bui al hangen dat ik heel veel namen op mijn website moest gaan wijzigen als gevolg van deze nieuwe namenlijst. Want hoewel ik nog geen kwart van de Nederlandse soorten op de foto heb staan, had ik al een beeld voor me van minimaal honderd namen die aangepast moesten worden. Toen ik de lijst eenmaal doorgenomen had en zag dat de wijzigingen beperkt bleven tot een honderdtal soorten, was ik gerustgesteld. Uiteindelijk betrof het maar twaalf soorten op mijn website die aangepast moesten worden. Maar nu is de website weer helemaal bij en klaar voor de toekomst. Of tot in ieder geval de volgende herziening van de namenlijst.

Hieronder een aantal soorten van wie ik de naam heb moeten wijzigen.

Schaduwspikkelspanner
was: Taxusspikkelspanner


Populierenhermelijnvlinder (Furcula bifida)
was: Wilgenhermelijnvlinder


Populierenkameeltje (Notodonta tritophus)
was: Wilgentandvlinder


Jakobsvlinder (Tyria jacobaeae)
was: Sint-jacobsvlinder


Jakobsbladroller (Cochylis atricapitana)
was: Sint-jacobsbladroller


Knoopkruidbladroller (Cochylimorpha straminea)
was: Moerasbladroller


Dennenlichtmot (Vitula biviella)
was: Katjeslichtmot

Bronnen en meer informatie:

Dit bericht heeft 4 reacties

  1. Wanny Schelling-Lagendijk

    Een heel karwei om de diertjes de juiste voederplantennaam te geven. Maar wat te doen met de benaming als ze van meerdere soorten planten eten? Waar kan ik de volledige lijst met namen vinden die veranderd zijn? Want het wekt nogal wat verwarring in het begin van deze officieel veranderde naamgeving. Dank voor je bericht. Een mooi zomer met enthousiaste deelnemers gewenst voor jou.

    1. Theo

      Graag gedaan Wanny. De nieuwe namen houden niet alleen verband met de waardplanten. Zie bijvoorbeeld de jakobsvlinder (voorheen sint-jacobsvlinder). De meeste wijzigingen houden overigens wel verband met de waardplant. Als een soort meerdere waardplanten heeft wordt vaak hetzij de belangrijkste waardplant gebruikt of het insect heeft een naam die niks met de waardplant te maken heeft. De complete lijst is hier te vinden: Lijst namen nachtvlinders

  2. Ellen

    Hallo Theo,
    Gelukkig heb ik maar 2 vlindernamen hoeven te veranderen in mijn “bibliotheek”.
    Is de Sint-Jansvlinder dan wel verbonden aan een heilige? Die naam zag ik niet in de lijst met veranderde namen staan.
    Groetjes Ellen

    1. Theo

      Dat valt inderdaad mee Ellen! De sint-jansvlinder is inderdaad wel verbonden met een heilige, namelijk Sint Jan ofwel Johannes de Doper. Zijn naamdag is op 24 juni en de tweede helft van juni is het hoogtepunt van de vliegtijd van deze vlinder. In dit blogje kun je er meer over lezen.

Geef een reactie