Platbuik

  • Leestijd:5 min. lezen

Het libellenseizoen is weer van start gegaan! Een van de soorten die rond deze periode gaat uitsluipen is de platbuik (Libellula depressa). Deze libel vliegt van eind april tot begin september en eind mei-begin juni kent de soort zijn hoogtepunt qua aantallen. De platbuik ziet er vrij fors uit en dat komt met name door het brede, afgeplatte achterlijf. Daar heeft deze soort ook haar Nederlandse naam aan te danken. Maar ook de wetenschappelijke soortnaam depressa verwijst daar naar, want dat is namelijk Latijn voor platgedrukt. De platbuik hoort tot het geslacht van de korenbouten (Libellula), net als de viervlek (Libellula quadrimaculata) en de bruine korenbout (Libellula fulva). Dit zijn de enige drie soorten van dit geslacht die in ons land voorkomen.

Korenbouten

Het geslacht Libellula hoort dan weer tot de familie van de Libellulidae, in het Nederlands verwarrend genoeg ook de korenbouten genoemd. We kennen dus zowel een familie van de korenbouten als een geslacht met diezelfde naam. Deze familie van de Libellulidae heeft 35 vertegenwoordigers in Europa. In Nederland en België is deze familie met 21 soorten in ons land de meest omvangrijke. De heidelibellen van het geslacht Sympetrum behoren er onder meer toe, maar ook de witsnuitlibellen (Leucorrhinia). Met meer dan duizend soorten is het ook de grootste libellenfamilie ter wereld. Mocht je het niet kunnen volgen, zie dan het schema hieronder.

De leden van de korenboutenfamilie zijn over het algemeen wat compact gebouwde en robuuste soorten. Kenmerkend is ook dat ze vaak een uitkijkplaats gebruiken bovenop een plant maar ook op de grond. Vanaf die post observeren ze de omgeving en zodra ze een prooi in de gaten hebben maken ze een korte vlucht in een poging om de prooi te vangen. Het zijn dus niet van die rondvliegers zoals bijvoorbeeld de glazenmakers, die je ook niet gauw in zittende positie zult zien.

Pioniersoort

De platbuik voelt zich het beste thuis in stilstaande en zwak stromende watertjes zoals sloten, vijvers en poelen die pas gegraven zijn en in een pionierstadium zitten. Het liefst in water waar nog weinig tot geen plantengroei is. Het is dan ook een soort die je vaak als een van de eersten ziet bij een nieuwe vijver. De larve overwintert over het algemeen twee keer. Dus als na een of twee jaar de larve uit gaat sluipen, treft deze een plantengroei aan die ver ontwikkeld is. Een weinig interessante habitat voor de platbuik dus en geen favoriete plek om de eitjes af te zetten. De pas uitgeslopen libellen gaan dan ook meteen op zoek naar een andere hagelnieuwe en maagdelijke plas, poel of vijver. Daar voelen ze zich weer een stuk beter thuis.

Overlevers

Die larven zijn overigens enorm kannibalistisch en deinzen er niet voor terug om soortgenoten op te eten. Daarnaast zijn ze goed bestand tegen tegenvallende omstandigheden in de omgeving. Als de leefomstandigheden in het poeltje waar ze zitten in hun ogen te slecht worden, gaan ze over land op zoek naar een beter plekje. Ze kunnen ongeveer zo een dag op het droge rondkruipen. Vooral de oudere larven graven zich graag in de modder in. Ze kunnen daar ook overleven, zelfs als de modder opdroogt houden ze dat meerdere weken vol. En als de bodem van hun plas tijdens de winter bevriest kunnen ze ook dat doorstaan. Taaie rakkers dus.

Kort lontje

De mannetjes platbuiken zijn erg territoriaal ingesteld en kunnen zich behoorlijk agressief gedragen. Hij verjaagt alle libellen die zich in de buurt wagen van zijn ‘plas’. Niet alleen andere mannetjes platbuiken worden verjaagd maar ook van andere soorten. Vanuit hun uitkijkplaats houden ze de omgeving nauwlettend in de gaten. Als ze een vrouwtje ontwaren, vliegen ze erheen en gaat het mannetje proberen te paren. Dat duurt slechts een paar seconden. Vervolgens gaat het vrouwtje de eitjes afzetten. Dat doet ze door al vliegend telkens haar achterlijf in het water te ‘dippen’. Bij iedere dip zet ze een aantal eitjes af. Het afzetten van de eitjes gebeurt soms in tandempositie, maar meestal niet. Het mannetje blijft echter wel dicht bij het vrouwtje in de buurt om de boel in de gaten te houden. Want andere mannetjes kunnen het zomaar op het eileggende vrouwtje gemunt hebben en als ze de kans krijgen proberen ze ook het vrouwtje te bevruchten. De tandemvlucht is daarom de meest veilige manier voor het uitverkoren mannetje om ‘zijn’ vrouwtje te bewaken. Zolang hij haar in zijn greep heeft, maakt geen enkel ander mannetje een kans.

Waslaagje

De geslachtsrijpe mannetjes van de platbuik zijn trouwens goed te herkennen aan hun matte lichtblauwe achterlijf. In de terminologie van libellenkenners wordt dit berijping genoemd. Het lijkt alsof er een lichtblauw poeder op het achterlijf gestrooid is. Het is echter geen poeder, maar het zijn wasachtige schubjes die uitgescheiden worden door het achterlijf. Deze blauwe berijping komt niet alleen voor bij de platbuik, maar ook bij de mannetjes van andere leden van de korenboutenfamilie, zoals de eerder genoemde bruine korenbout, de witsnuitlibellen en de gewone oeverlibel (Orthetrum cancellatum). Voordat de mannetjes platbuik deze blauwe berijping krijgen, hebben ze een geelbruine kleur met aan de zijkant van het derde tot en met het zesde segment gele vlekjes. Vooral jonge mannetjes zijn daardoor nauwelijks van vrouwtjes te onderscheiden. Daardoor worden ze door andere mannetjes niet gezien als concurrent, al kan het voorkomen dat ze het jonge mannetje belagen omdat ze denken met een vrouwtje te maken hebben. (Ik weet niet wat in dat geval gunstiger is.) De gele vlekjes verdwijnen bij de mannetjes naarmate ze ouder worden. Overigens kunnen ook oudere vrouwtjes enige berijping krijgen, maar nooit zoveel als bij de mannetjes. Voldoende echter om paarlustige mannetjes op afstand te houden, die denken immers dat ze met een ander mannetje van doen hebben.

Bronnen en meer informatie:

Dit bericht heeft 8 reacties

  1. Ellen

    Hallo Theo,
    Hartelijk dank voor je blog met uitleg. Als ik denk dat ik met een vrouwtje te maken heb kan dat dus ook een jongeman zijn. En zo leer ik elke keer weer iets. Ik kijk weer uit naar je volgende blog.
    Groetjes Ellen

    1. Theo

      Graag gedaan Ellen. Het kan inderdaad ook een jong mannetje zijn. Aan de achterlijfaanhangsels kun je zien of het een mannetje of vrouwtje is. Bij een mannetje staan deze dicht bij elkaar, waardoor het achterlijf puntiger lijkt. Bij het vrouwtje staan deze verder uit elkaar, waardoor het achterlijf juist wat stomper lijkt.

  2. Jo

    Interessant Theo, afgelopen week de eerste platbuik waargenomen, dat deze later poeder blauwe schubjes krijgt…

  3. Ad

    ik heb verleden jaar een tijd zitten kijken naar een platbuik dit zat op de bloem van een Gele lis. Na einige tijd kwam er een Viervlek. Na een strijd 15 minuten om de plek op de Gele lis was de Platbuik verdwenen en was de Gele lis de uitvalbasis van de Viervlek.. Interessant artikel.over de Platbuik.

Geef een reactie