Koolwitjes

  • Leestijd:9 min. lezen

Dit keer een blogje over dagvlinders die we allemaal wel kennen: de koolwitjes. Maar wist je dat er twee verschillende koolwitjes zijn, namelijk het klein koolwitje (Pieris rapae) en het groot koolwitje (Pieris brassicae). Sterker nog, eigenlijk zijn er vier dagvlinders die we tot de koolwitjes rekenen. Want er is ook nog het klein geaderd witje (Pieris napi) en sinds enkele jaren vliegt ook het scheefbloemwitje (Pieris mannii) in ons land rond.

Algemene kenmerken

Eerst maar even wat algemene informatie over de koolwitjes. Deze vlinders behoren allemaal tot het geslacht Pieris. Deze geslachtsnaam is genoemd naar een van de muzen (Pierides) die op de berg Pierus woonden, dicht bij de berg Olympus. Een van de kenmerken, behalve de witte kleur van de volwassen vlinders, is dat hun waardplanten tot de kruisbloemenfamilie (Brassicaceae) behoren. Het zal je niet verbazen dat tot deze familie onder meer heel veel koolsoorten horen, zoals boerenkool, bloemkool, spruitjes maar ook radijs en waterkers. De rupsen van de koolwitjes hebben het met name gemunt op witte kool, vandaar dat ze niet zo geliefd zijn onder tuinders en mensen met een groentetuintje. Maar ook andere plantensoorten uit de kruisbloemenfamilie worden door de koolwitjes als waardplant gebruikt, bijvoorbeeld de damastbloem (Hesperis matronalis), judaspenning (Lunaria annia) en de pinksterbloem (Cardamine pratensis), die we ook kennen uit mijn blogje over het oranjetipje (Anthocharis cardamines).

Gekleurde witjes

Het geslacht van de koolwitjes valt vervolgens weer onder de familie van de witjes (Pieridae). Denk daarbij niet dat alle vertegenwoordigers van deze familie wit van kleur zijn. Ook het eerder genoemde oranjetipje, de citroenvlinder (Gonepteryx rhamni), de oranje en gele luzernevlinder (respectievelijk Colias crocea en Colias hyale) horen erbij. De koolwitjes zijn in ieder geval wel allemaal wit van kleur, ze hebben allemaal een of meerdere zwarte vlekken op de bovenkant van de voorvleugel en een zwarte vlek op de voorvleugelrand. Dat maakt ze lastig van elkaar te onderscheiden.

Klein koolwitje

Laat ik beginnen met de kleinste van de drie: het klein koolwitje. De soortnaam rapae is afkomstig van de wetenschappelijke naam van raapzaad (Brassica rapa), wat een van de waardplanten van het klein koolwitje is. Het is de meest algemeen voorkomende soort van de witjes in ons land en staat dan ook al jaren in de top drie bij de Tuinvlindertelling van De Vlinderstichting. Je kunt het klein koolwitje een groot deel van het jaar zien vliegen, van maart tot en met oktober. Ze kennen drie generaties, die elkaar gedeeltelijk overlappen. Soms is er in mooie jaren zelfs een vierde generatie die tot in november doorvliegt. Dan moeten ze er wel op letten dat er voldoende voedsel is voor de rupsen om zich vol te vreten. De rupsen kunnen namelijk niet overwinteren, dus moeten ze voor de winter verpoppen.


Parasitisme

En dan loert er ook nog continu een gevaar om de hoek. De parasitaire schildwesp Cotesia glomerata heeft het namelijk op de rupsen van het klein (maar ook het groot) koolwitje gemunt. De rupsen verspreiden een geur waardoor het vrouwtje van dit insect aangetrokken wordt. Zij legt vervolgens haar eitjes in de rups en dan begint er een waar horrorverhaal wat niet even kort uitgelegd kan worden. Wil je er meer over weten, kijk dan even naar dit Engelse filmpje. Wat overigens niet geschikt is voor al te gevoelige kijkers. De Cotesia glomerata is een vrij algemeen voorkomende soort, waardoor zo’n zeventig procent van de rupsen van de koolwitjes door deze wesp geparasiteerd wordt en dus niet zal uitgroeien tot een volwassen vlinder. Overigens is het leven van de Cotesia glomerata ook niet zonder gevaar, want op hun buurt zijn zij weer slachtoffer van twee parasitaire sluipwespen, de Lysibia nana en de Gelis agilis. Het verschijnsel waarbij de ene parasiet geparasiteerd wordt door een andere parasiet wordt hyperparasitisme genoemd.

Klein koolwitje (Pieris rapae)

Groot koolwitje

De vliegtijd van het groot koolwitje is wat korter dan dat van zijn kleine naamgenoot, namelijk van midden april tot eind september. Het groot koolwitje kende vroeger twee generaties per jaar, tegenwoordig zijn dat er vrijwel altijd drie. Net als zijn kleinere familielid komt ook deze in het hele land voor en is erg algemeen, zij het wel minder dan het klein koolwitje en het klein geaderd witje. In vroeger jaren, en dan spreek ik over de negentiende en begin twintigste eeuw, werden soms enorme wolken met groot koolwitjes gezien. Echt honderdduizenden tot miljoenen vlinders bij elkaar, op zoek naar een nieuw leefgebied. Ook van kleine koolwitjes is dit migratiegedrag bekend trouwens. Dat zwerven doen ze nog steeds, maar je mag al blij zijn als je een stuk of tien koolwitjes ziet langs trekken. Af en toe worden nog wel eens grotere groepen gezien, maar vaak niet groter dan een paar honderd stuks. Overigens kunnen ze al zwervend wel vijftig tot honderd kilometer per dag afleggen.
Het zal je niet verbazen dat de soortnaam brassicae ook hier van de waardplant komt. Het komt van Brassica, de wetenschappelijke naam van het plantengeslacht kool.

Groot koolwitje (Pieris brassicae)

Klein geaderd witje

De derde in de rij is het klein geaderd witje. Ook deze soort kun je verspreid over het hele land tegenkomen. Hij vliegt van begin april tot en met september in drie generaties. In sommige koele en natte jaren komt het voor dat er maar twee generaties vliegen. En net zoals bij de koolwitjes komt de wetenschappelijke soortnaam ook weer van een waardplant: napi komt van Brassica napus en dat is koolzaad. Het kleine geaderd witje is redelijk makkelijk te herkennen door de duidelijk zichtbare aders op de onderkant van de vleugels in combinatie met de donkere bestuiving (‘spikkeltjes’) langs deze aders. Bij de andere witjes zijn de aders niet zichtbaar, maar kan er wel enige bestuiving zijn.

Maagdelijke mannetjes en vrouwtjes

De vrouwtjes van het klein koolwitje moeten met meerdere mannetjes paren om voldoende eitjes te kunnen afzetten. Uit onderzoek is gebleken dat mannetjes een voorkeur hebben voor vrouwtjes die nog niet eerder gepaard heeft. Als het alweer wat langer geleden is dat het vrouwtje gepaard heeft, neemt de belangstelling van de mannetjes weer toe. Aan de andere kant zit er ook een verschil in of het vrouwtje eerder met een maagdelijk mannetje gepaard heeft of met een ‘ervaren’ mannetje. In het eerste geval duurt het ongeveer zes dagen voordat ze zich opnieuw laat bevruchten, in het tweede geval paart ze al na twee dagen met een nieuw mannetje. Er zit ook een verschil in de duur van de paring. Als het vrouwtje met een ervaren mannetje paart duurt dat zo’n zeven uur. Betreft het een maagdelijk mannetje, dan zijn ze met ongeveer twee uur klaar, een vluggertje dus. Toch blijken de vrouwtjes geen voorkeur te hebben voor een maagdelijk of ervaren mannetje.

Klein geaderd witje (Pieris napi)

Groot geaderd witje

De Nederlandse naam klein geaderd witje doet vermoeden dat er vast en zeker ook een groot geaderd witje is. En dat klopt, namelijk een vlinder die luistert naar de wetenschappelijke naam Aporia crataegi. Aan deze naam kun je zien behoort deze niet tot het geslacht Pieris zoals de hierboven genoemde koolwitjes. Het groot geaderd witje hoort wel tot dezelfde familie van de witjes (Pieridae), maar daar houdt de verwantschap verder mee op. Hij lijkt echter wel op het klein geaderd witje, waarbij de aders in de vleugels bij het groot geaderd witje duidelijk zwart van kleur zijn. En de vleugels zijn haast doorzichtig wit. Qua grootte is hij vergelijkbaar met een groot koolwitje. Het groot geaderd witje is sinds 1975 uit Nederland verdwenen als standvlinder, maar kwam vroeger voor in Oost- en Zuid-Nederland. Af en toe duikt er hier en daar nog een keer een verdwaald exemplaar op, met name in Limburg. In Wallonië komt deze vlinder nog wel voor, in Vlaanderen niet.

Scheefbloemwitje

Het vierde en laatste koolwitje is een nieuwkomer, namelijk het scheefbloemwitje (Pieris mannii). De Nederlandse naam duidt de belangrijkste waardplant aan van dit insect, namelijk de scheefbloemen (Iberis spec.). Ook dit plantengeslacht hoort tot de kruisbloemenfamilie en komt in heel West-Europa voor. De scheefbloem Iberis sempervirens wordt ook als tuinplant verkocht. Dit vlindertje vliegt van eind maart tot in november in drie generaties. In tegenstelling tot de andere koolwitjes hierboven is de wetenschappelijke soortnaam mannii niet afkomstig van een waardplant, maar van de Duitse entomoloog Josef Johann Mann, die gespecialiseerd was in vlinders. Van oorsprong komt het scheefbloemwitje voor in gebieden met steile en rotsachtige berghellingen. Tot 2008 waren de dichtstbijzijnde populaties te vinden in de Alpen. In de jaren erna is de vlinder zich gaan verplaatsen naar dorpen en steden, waarbij de voorkeur nog wel bleef voor rotstuintjes. En de soort breidde zich steeds verder naar het noorden uit. In 2015 werden de eerste exemplaren in ons land gezien en sinds 2019 is het in Zuid- en Midden-Nederland een vrij algemene soort geworden. In Noord-Nederland is hij nog niet zo algemeen, maar ook daar nemen de waarnemingen toe.

Ondanks dat vrijwel ieder witje wat ik zie vliegen gecontroleerd wordt of het een scheefbloempje is of niet, heb ik deze helaas nog niet gezien of op de foto kunnen zetten. Voor foto’s verwijs ik dan ook graag naar de website van De Vlinderstichting.

Lastig uit elkaar te houden

De koolwitjes lijken allemaal enorm op elkaar en zijn lastig uit elkaar te houden. Zelfs als je eenmaal weet waar je op moet letten blijft het nog lastig. Onder andere het zwart op de vleugelpunten is een van de onderscheidende kenmerken. Maar als je te maken hebt met een afgevlogen exemplaar waar het zwart voor een deel al weg is, wordt het weer een stuk moeilijker. Dat geldt ook voor de zwarte stippen op de vleugels. De grootte en vorm kan een indicatie zijn van de soort. Mits de stippen nog goed zichtbaar zijn natuurlijk. En daarnaast zitten de koolwitjes ook heel graag met gesloten vleugels en zijn de stippen en vlekken nauwelijks zichtbaar. Dan zijn overigens wel de bestoven aders van het klein geaderd witje te zien, dus die is goed herkenbaar.
Het voert te ver om hier alle verschillen te gaan benoemen. De Vlinderstichting heeft een hele pagina op hun website gewijd aan het herkennen van de koolwitjes. Daar kun je ook deze herkenningskaart downloaden met niet alleen de koolwitjes, maar ook het oranjetipje en de citroenvlinder.

Dus op naar buiten en ieder witje dat je ziet vliegen aan een minutieus onderzoek onderwerpen.

Bronnen en meer informatie:

Dit bericht heeft 8 reacties

  1. Mirjam Boumans

    Leuk dat verhaal over de witjes, was ook verrast
    Dat ik tijdens ons verblijf in de Ardennen een boswitje
    Op de foto heb gezet. Dus een leuke verrassing, ik heb hem op Bluesky geplaatst
    5 dagen geleden in een collage samen met o.a. de kleine tanglibel
    Had van allebei er nog nooit van gehoord.
    Groeten van Mirjam

    1. Theo

      Dank je Mirjam. Ik ben in Limburg ook op zoek geweest naar een boswitje, helaas niet gevonden. Leuk dat je die gezien hebt en dan ook nog een kleine tanglibel! Ik heb de foto’s gezien op je Bluesky-account. Mooi!

  2. Beste,
    Ik geniet steeds weer van je blogjes en had je een foto willen sturen van een Oranje tipje in afweerstand. Kan geen bijlage toebvoegen dus dat lukt niet.
    Wellicht kun je mij op weg helpen hoe een val voor nachtvlinders op te zetten en wat er nog meer bij komt kijken. Ik heb in het verleden al eens wijn met suiker gemengd en die op muur (we hebben een patio) en struiken gesmeerd , zonder resultaat . Wel al eens een Wortelboorder in de serre gehad dus er zitten er wel….denk ik.
    Zie graag je reactie naar het zuiden komen.
    Vriendelijke groet, Pierre Cilissen

  3. Ellen

    Ik heb je blog weer met veel plezier gelezen.
    Ze zijn zeker lastig uit elkaar te houden. Het scheefbloemwitje kwam hier in onze tuin meer voor dan de andere koolwitjes. Momenteel is het hier een trieste bedoening wat vlinders betreft. Tijdens de vlindertelling kwam ik niet verder dan een witje en twee bonte zandoogjes. Het witje ging niet zitten dus welke het was is mij onbekend.
    Het filmpje vond ik heel bijzonder om te zien en zeker ook het gedrag van de rups die de insluipers dan ook nog beschermt.
    Ik kijk weer uit naar je volgende blog.
    Groetjes Ellen

    1. Theo

      Dank je Ellen. Wat jammer dat er maar zo weinig vlinders in je tuin zitten op dit moment.

  4. Wanny Schelling-Lagendijk

    Dank voor het bericht. Veel te lezen en mooie foto`s. Het Vals witje? Als dagvliegende nachtvlinder. Heb ik in NL op het monitoringveld gezien. In Groningen, prov. nog niet volgens de kaart.

    1. Theo

      Dank je Wanny. Mooi dat je het vals witje al eens gezien hebt. Maar dat is inderdaad een nachtvlinder. En er is ook nog het boswitje (Leptidea sinapis), dat is wel een dagvlinder maar die hoort niet tot de koolwitjes.

Geef een reactie