Macronachtvlinders

Op deze pagina vind je een foto-overzicht van alle Nederlandse macronachtvlinders die ik op de foto heb kunnen zetten. Het lijken er best veel, maar vergis je niet: het aantal macronachtvlinders in ons land bedraagt ongeveer negenhonderd stuks. Daar zit ik nog lang niet aan.

Tussen de macronachtvlinders zitten hele grote soorten, zoals de ligusterpijlstaart (Sphinx ligustri) met een spanwijdte van 90 tot 120 mm en het imposante en zeldzame blauw weeskind (Catocala fraxini) met een spanwijdte van 75 tot 95 mm. Zie de foto hieronder van een blauw weeskind in gezelschap van een twee andere macronachtvlinders, linksonder een goudvenstertje (Plusia festucae) en linksboven een variabele w-uil (Lacanobia suasa). Dan zie je pas echt goed het verschil.

Maar ook kleine vlindertjes horen tot de macro’s, zoals de hopdwergspanner (Eupithecia assimilata) die een spanwijdte van slechts 20 tot 25 mm kent of de gepijlde micro-uil (Schrankia costaestrigalis) die nog een paar millimeter kleiner is. Vanwege het formaat en de vorm wordt die laatste vaak verward met micronachtvlinders uit de familie van de grasmotten (Crambidae).

De indeling in macro- of micronachtvlinders hangt dus niet samen met het formaat, in tegenstelling tot wat je wellicht zou vermoeden. Mocht je meer over de verschillen tussen macro’s en micro’s willen weten, kijk dan eens in dit blogje.

De macronachtvlinders kennen een flink aantal families die je ook in veel boeken over nachtvlinders kunt terugvinden. Ik gebruik de indeling in families op mijn website – nog – niet. Wie weet in de toekomst. Voorlopig staan ze in het overzicht hieronder op alfabetische volgorde van de Nederlandse naam.

Onderaan staan nog enkele bronnen vermeld van websites en boeken over macronachtvlinders.

Bij sommige afbeeldingen hieronder staan twee Nederlandse en wetenschappelijke namen aangegeven, zoals bij de halmrupsvlinder/weidehalmuiltje (Mesapamea secalis/secalella) en bij de schijnsparspanner/sparspanner (Thera britannica/variata). Dit zijn zogenaamde dubbelsoorten. Deze soorten lijken heel erg op elkaar. Bovendien is de vleugeltekening erg variabel en daardoor een slechte indicator voor de specifieke soort. Alleen met genitaliënonderzoek is vast te stellen welke van de twee soorten het betreft. Dat gaat me toch een stapje te ver.

Meer informatie:

  • Website van De Vlinderstichting
  • Voogd J. – Het Nachtvlinderboek – KNNV Uitgeverij – eerste druk, 2019
  • Waring P., Townsend M. (tekst), Lewington R. (ill.), Groenendijk M.; Meulen J. van der (vertaling en bewerking), Groenendijk D. (eindredactie) – Nachtvlinders, veldgids met alle in Nederland en België voorkomende soorten –  Kosmos Uitgeverij – derde druk, februari 2017
  • Manley C. – British & Irish Moths – Bloomsbury – derde editie, 2021