Afgelopen week heb ik nieuwe visitekaartjes laten drukken. Als ik mensen tegenkom in het veld of bij lezingen en excursies willen ze soms graag de naam van mijn website weten. Om het een beetje professioneel aan te pakken horen visitekaartjes daar bij. Gemakkelijk uit te delen en geen misverstand mogelijk wat mijn e-mailadres is en hoe mijn blogje te vinden. Zeker nu ik ook meer lezingen en excursies wil gaan geven. De voorkant van de kaartjes is geheel in stijl van mijn website en op de achterkant staat een foto. De vorige versie had een foto van een blauwborst achterop en voor deze nieuwe editie koos ik een andere achterzijde. Wel eentje die te maken heeft met mijn aandachtsgebieden op mijn blogje uiteraard. Het is een groot avondrood (Deilephila elpenor) geworden, een van mijn favoriete nachtvlinders. Eigenlijk de meest favoriete.

Nachtpauwoog

De combinatie van zijn felroze en pistachegroene kleuren doet je eerder denken aan een zuurstok of een Italiaans ijsje dan aan een nachtvlinder. Zeker de mensen die nachtvlinders alleen maar associeren met saaie, grijze motten staan versteld van deze kleurenpracht. En het is nog geen kleintje ook. Hij heeft een voorvleugellengte van wel 33 mm, wat neerkomt op een spanwijdte van ruim zes centimeter! Een flinke joekel van een nachtvlinder dus, maar niet de grootste. Die eer is voor de nachtpauwoog, die een spanwijdte van wel 15 cm kan hebben. Helaas heb ik deze nog niet mogen zien, dan moet ik toch eens in een ander gebied gaan nachtvlinderen. Overigens heb ik wel al een keer vleugels gevonden van een nachtpauwoog op de heide in Drenthe. Deze was waarschijnlijk gepredeerd door een boomvalk (Falco subbuteo). Deze roofvogel vangt insecten (onder andere libellen, maar ook vlinders) in de vlucht en trekt de vleugels uit voor hij het insect verder verorbert. Soms doet hij dit zelfs al vliegend.

Groot en klein avondrood

Nachtvlinders hebben vaak de meest vreemde namen. Denk bijvoorbeeld aan de dromedaris (Notodonta dromedarius), de lieveling (Timandra comae) of de kortzuiger (Crocallis elinguaria). Je zou bijna gaan denken dat de commissie die de nachtvlinders hun naam geeft zich een week ergens op de hei heeft teruggetrokken met een rugzak vol geestverruimende middelen. Maar dat is uiteraard niet zo. De namen zijn heel vaak afgeleid van de wetenschappelijke namen die onder meer door Linnaeus gegeven zijn aan de dieren, zie bijvoorbeeld bij de dromedaris. De vreemde, wat onverklaarbare naam is niet het geval bij het groot avondrood. Deze vlinder heeft zijn naam te danken aan de felroze kleur en het feit dat hij pas ’s avonds (zoals zoveel nachtvlinders) tevoorschijn komt. Het voorvoegsel groot suggereert dat er ook een klein avondrood is. En die is er inderdaad, met de wetenschappelijke naam Deilephila porcellus. Deze soort komt met name voor in duingebieden en op zandgronden. Hier op de Groningse klei zal ik deze dus niet aantreffen. Maar wel op de zandgronden in Drenthe bijvoorbeeld en langs de hele Noordzeekust.

Avondminnend zwijntje

Ook de wetenschappelijke namen lijken soms wel uit een vreemde hoge hoed te komen. De bedenkers hebben in ieder geval hun fantasie vaak de vrije loop gegeven. De geslachtsnaam van het groot en klein avondrood Deilephila is nog redelijk verklaarbaar. Die betekent namelijk: avondminnend. Van deile=avond en phileo=houden van. De meeste nachtvlinders houden immers van het vliegen in de schemer. De verklaring van de soortnaam elpenor is wat verder te zoeken. Elpenor was in de Griekse mythologie een van de metgezellen van Odysseus op diens terugtocht van Troje naar Ithaka. Hij werd, samen met een aantal anderen, door de tovenares Circe veranderd in een varken. Als je de rups van het groot avondrood bekijkt, dan lijken – met een flinke dosis fantasie hoor – de intrekbare kop en de smalle borstsegmenten wel iets op een varkenskop. Nogmaals, met veel fantasie. De soortnaam porcellus van het klein avondrood verwijst ook naar een varken.

Olifantsrups

Nu ik het toch over de rups heb, ook die heeft in de volksmond een aparte naam: de olifantsrups. En dat is niet alleen in ons land zo, de Engelsen noemen het groot avondrood immers de Elephant Hawk-moth. De rups heeft deze bijnaam te danken aan het flinke formaat. Hij kan namelijk wel zo’n acht centimeter lang worden. Daarnaast heeft hij achter op zijn lichaam een uitsteeksel, het is immers een pijlstaartsoort. De rups is aanvankelijk felgroen en wordt donkerbruin naar mate hij dichter bij het verpoppingsstadium komt. De oogachtige vlekken op de voorzijde van zijn lichaam worden nog eens extra geaccentueerd als hij verstoord wordt. Dan trekt hij zijn kop iets in, waardoor de vlekken nog meer op grote ogen lijken en hij zelfs wat van een slang weg heeft. Dat is meestal voldoende om een geïnteresseerde vogel af te schrikken, maar ook mensen schrikken er vaak van als ze dit gigantische beest zien op de fuchsia. Want dat is in siertuinen de belangrijkste waardplant van het groot avondrood. In de natuur is het wilgenroosje (Chamerion angustifolium) de belangrijkste waardplant, maar ook de teunisbloem (Oenothera), beiden lid van de teunisbloemfamilie (Onagraceae). Ook het waterdrieblad (Menyanthes trifoliata) en leden van de kattenstaartfamilie (Lythraceae) behoren tot de favorieten van de olifantsrups. Hij schroomt er daarbij zelfs niet voor om een eindje te zwemmen naar deze planten. De rups gaat overigens vooral ’s nachts op pad om te eten, maar op mooie dagen komt hij ook wel in de namiddag tevoorschijn om in het middagzonnetje wat te rusten.

Joepie-momentje

Wellicht begrijp je een beetje waarom ik altijd een joepie-momentje heb als er weer zo’n mooie zuurstokvlinder op het laken zit. Het is iedere keer weer genieten, die ongelofelijke kleurenpracht. De kans is groot dat je het groot avondrood ook ’s nachts bij jou in de buurt kunt aantreffen, het is een zeer algemene soort die in heel Nederland voorkomt. Zeker als je kamperfoelie (Lonicera) in je tuin hebt staan, want deze vindt hij heerlijk. Sterker nog, de bloemen van de kamperfoelie ruiken juist ’s avonds en ’s nachts extra lekker, speciaal om nachtvlinders aan te trekken. Hoewel de kans op treffen van de vlinder nu wel afneemt, hij vliegt van begin mei tot half september. En ook de rups kun je in je omgeving of zelfs in je tuin tegenkomen als je fuchsias of een van de andere waardplanten hebt staan. Die kun je nog tot oktober aantreffen in de tuin. Daarna trekt hij zich terug in de strooisellaag of tussen afgevallen bladeren, spint een lekkere cocon om zich heen en gaat vervolgens verpoppen. Om volgend jaar begin mei met zijn prachtige kleuren te gaan pronken.

Bladeren laten liggen

Wees dus ook voorzichtig met het weghalen van bladeren in de tuin, er kunnen zomaar cocons van het groot avondrood en andere vlinders tussen zitten. Blad kun je sowieso beter laten liggen, het is een belangrijke voedselbron voor de wormen en zorgt ook voor natuurlijke bemesting in de tuin. Naast dat het natuurlijk ook nog allerlei insecten herbergt, waar de vogels op kunnen foerageren. En hoe meer insecten in de tuin, hoe meer je van de diversiteit aan dieren kunt genieten.

Bronnen:

3 reacties op “Olifanten in de tuin

Vond je het een leuk verhaal? Reageer als je dat wilt.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.