Hoewel je het met de zomerse temperaturen van de afgelopen dagen niet zou zeggen, is het herfst. Al enkele weken zelfs. Astronomisch gezien sinds 23 september 03.54 u (dit jaar dan toch) en vanuit meteorologisch oogpunt al sinds 1 september. En dan hebben we ook nog een heuse internationale afspraak die wars van deze data is en waarin vastligt dat de herfst begint op 21 september. Wat de sterren, planeten of het weer ook zeggen: het is dus herfst. En welke dieren zijn onlosmakelijk verbonden met dit jaargetijde? Juist, spinnen. En over die diersoort gaat dit blogje.

 

Fabeltje

Om dit dan maar meteen naar het rijk der fabelen te verwijzen: er zijn in de herfst namelijk niet meer spinnen dan in de zomer. Spinnen zijn er het hele jaar door. Alleen vallen ze in de herfst beter op en zijn ze gemakkelijker te vinden. Dat heeft onder andere te maken met hun levenscyclus. De meeste spinnensoorten die in ons land voorkomen leggen hun eitjes in de herfst en die komen pas in het voorjaar uit. Dan zijn ze nog heel erg klein, soms tienden van millimeters. Tegen de tijd dat het herfst begint te worden, zijn deze ieniemieniespinnetjes uitgegroeid tot volwassen spinnen en hun web is ook navenant groter. Plus het feit dat de spinnenwebben in het najaar in de ochtend onder de dauw zitten, waardoor ze beter opvallen.

Spinnen kunnen daarnaast niet zo goed tegen kou en al zeker niet tegen vorst. Veel spinnen gaan daarom aan het begin van de winter dood of ze zoeken een lekker warm en beschut plekje op om te overwinteren. Bijvoorbeeld in huis of in de schuur of garage. Lekker uit de wind. Buiten zul je in de winter dan ook zelden een spinnenweb tegenkomen. Er zijn dus niet meer spinnen in de herfst dan in de zomer, alleen vallen ze beter op.

 

Grote vrouwtjes

Een van die spinnensoorten die je in de zomer buiten kunt zien is de wespspin (Argiope bruennichi), ook wel tijgerspin of wespenspin genoemd. Een vrij logische naam, als je naar het geel/zwart gestreepte achterlijf kijkt. Vooral mevrouw wespspin valt daarbij op, want zoals bij meerdere diersoorten is zij de grootste van de twee. Van kop tot het puntje van het achterlijf meet zij ongeveer 1,5 cm. De grote dikke poten doen haar nog groter voorkomen. Het is ook een van de grootste spinnen van Europa. Het mannetje is een stuk kleiner en wordt niet veel groter dan een halve centimeter. Hij is ook nog eens dofbruin van kleur en valt daardoor veel minder op dan zijn eega. 

 

Twee keer paren

Nou ja, eega. Dat is niet helemaal waar. Er is niet echt sprake van een gelukkige vriendschap tussen heer en dame wespspin. Iets wat in de spinnenwereld vaker voorkomt. Je kent vast wel het verhaal van de zwarte weduwe (Latrodectus mactans), die het mannetje doodt na de bevruchting. Het lot van het mannetje wespspin is niet veel beter. Ten eerste kan hij, in zijn korte leven, maar twee keer paren. Hij is uitgerust met twee genitaliën en een daarvan blijft na het paren in het vrouwtje zitten. Zo voorkomt hij dat er na hem nog een mannetje dit vrouwtje bevrucht. Als hij geluk heeft, rent hij na de paring snel weg op zoek naar een ander vrouwtje. Meestal heeft hij echter pech en wordt hij direct na de paring door het vrouwtje verdoofd en ingesponnen om later als voeding voor haar te dienen. 

 

Kort leven

Het leven van het mannetje is dan ook erg kort. Hij mag over het algemeen slechts enkele dagen van zijn volwassenheid genieten. Het vrouwtje daarentegen leeft nog even vrolijk verder. Ongeveer een maand na de paring zet ze haar eitjes af in een grote eicocon, die ze spint tussen de begroeiing. In deze cocon zitten honderden eitjes en het vrouwtje bewaakt ze tot ze doodgaat. Ze ziet haar eigen kroost dus niet uit het ei komen en opgroeien. Ongeveer een maand nadat de eitjes afgezet zijn, komen de jonge spinnetjes uit, maar blijven knus in de cocon zitten tot het voorjaar aanbreekt. “Cocooning” in optima forma dus. Als je goed kijkt kun je in de winter de donkergestreepte eiercocons tegenkomen, ongeveer zo groot als een golfbal. Na de koude periode komen de jonge spinnetjes in maart uit de cocon en groeien vervolgens uit tot volwassen dieren.

 

Stabiliment

Het voedsel van de wespspin bestaat voornamelijk uit sprinkhanen, libellen en kevers. Niet van die hele kleintjes, maar serieuze prooien als de moersassprinkhaan (Stetophyma grossum) en de bandheidelibel (Sympetrum pedemontanum). Zoals de meeste spinnen maken ze ook een web, een wielweb in dit geval. Dat is eigenlijk het traditionele spinnenweb wat we kennen. Om de kans op succes zo groot mogelijk te maken, maakt ze het web zo laag mogelijk tussen de grashalmen. Kenmerkend voor het web van de wespspin zijn de twee extra dikke zigzag-gesponnen matjes die vanuit het midden komen: het stabiliment. De wetenschap is er nog niet over uit waar dit voor dient. Een verklaring is dat dit insecten extra zou aantrekken door UV-licht te weerkaatsen. Een andere verklaring is dat het daardoor juist meer opvalt voor grotere dieren, waardoor ze er wellicht minder snel doorheen zullen lopen. 

 

Lekker papje

Met de kop naar beneden hangt de spin dan te wachten op een lekker hapje. Zodra deze zich aandient in het web, wordt de prooi meteen aangevallen, verdoofd en omwonden met spinrag. Bij het verdoven krijgt de prooi ook nog een enzym ingespoten, waardoor deze van binnenuit verteert. Spinnen kunnen namelijk niet zelf hun prooi verteren en moeten dat dus buiten hun lichaam doen. Als het dan een lekker papje geworden is, zuigt de spin de vloeibare bestanddelen vervolgens op. Smakelijk.

 

Zuid-Europese gast

De wespspin komt overigens niet van oorsprong in Noordwest-Europa voor. De soort heeft haar wortels in het Middellandse Zeegebied, maar heeft zich inmiddels over heel Europa verspreid. In 1980 is de soort ontdekt in Gulpen (Limburg) en de laatste jaren is hij in heel Nederland te vinden, zelfs op Terschelling en Ameland. Het oprukken van de spin naar het noorden zou verband kunnen hebben met de warmere temperaturen in de zomer en de milde winters. De wespspin staat nu als inheemse soort te boek en mag zich autochtoon noemen omdat deze op eigen kracht naar Nederland is gekomen en zich hier tien jaar succesvol heeft voortgeplant. Hij heeft dan ook een plaatsje verdiend in de catalogus van Nederlandse spinnen.

 

Mimicry

De kleur van de spin doet vermoeden dat deze giftig is. Zie bijvoorbeeld ook de geel/zwarte rups van de sint-jacobsvlinder. Deze rups is inderdaad giftig voor vogels en die laten het diertje dan ook graag aan zich voorbijgaan. Deze afschrikstrategie wordt aposematische kleuring genoemd. De wespspin is echter niet giftig voor vogels en al zeker niet voor mensen. De spin misbruikt dus de afschrikkleuren van andere diersoorten om te voorkomen dat ze opgegeten worden, een vorm van mimicry. En het werkt blijkbaar, want vogels laten de wespspin voor wat het is en gaan op zoek naar andere lekkere hapjes.  De eitjes of jonge wespspinnetjes bijvoorbeeld, want die eten ze wel. Maar daar zijn er honderden van in een nest, dus blijven er altijd nog genoeg over om uit te groeien tot volwassen wespspin. 

Dus niet bang zijn als je een wespspin ziet, maar sta er even bij stil en geniet van dit prachtige beestje.

 

 

 

 

 

 

Bronnen:

Deze bijdrage is geplaatst in de categorie Natuur.

4 reacties op “Het is herfst!

  1. Leuk Theo, weer wat bijgeleerd. Dacht al redelijk wat te weten, maar een mens is nooit te oud om te leren.

  2. mooie informatie Theo – heel interessant omdat ik vorig jaar een cocon heb gevonden van de wesp spin – dank je wel.

  3. Wat een toppertje is dit weer. We leren nog steeds bij.
    Dank je wel Theo om al die kennis met ons te delen.

Vond je het een leuk verhaal? Reageer als je dat wilt.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.