De vogel die tijdens mijn lezingen over roofvogels steevast als laatste aan de beurt komt, is er eentje die je niet vaak ziet. Hoewel, in deze tijd van het jaar is de kans wel groter dat je hem of haar in het veld zult tegenkomen. Het is het kleinste roofvogeltje wat je in ons land, maar ook in Europa, kunt aantreffen. Afgezet tegen de immense zeearend (Haliaeetus albicilla), met zijn bijna tweeënhalve meter spanwijdte ook wel de vliegende deur genoemd, is deze met 50-60 centimeter een ieniemienie-roofvogeltje. Ik heb het over het smelleken (Falco columbarius).  

 

Dwergvalk

Het smelleken wordt ook wel dwergvalk genoemd en dat is logisch, gezien de afmetingen. Hij is lid van de familie der valkachtigen (Falconidae), net zoals de slechtvalk (Falco peregrinus), boomvalk (Falco subbuteo) en torenvalk (Falco tinnunculus). Qua vorm heeft het smelleken nog het meeste weg van deze laatste, alleen zijn spanwijdte is zo’n 20 centimeter kleiner. Van kop tot staart is het verschil minder, maar altijd nog een goede zeven tot tien centimeter. De kleur van het vrouwtje doet denken aan een torenvalk, maar als je ze goed bekijkt zie je duidelijk de verschillen. De rug van een vrouwtje torenvalk is rossig bruin, bij een smelleken is het echt donkerbruin gemêleerd. Mannetjes zijn helemaal verschillend, het enige wat ze gemeen hebben is de blauwgrijze kop. Bij een smelleken loopt deze kleur door over de rug, de torenvalk heeft een roodbruine rug. Hoewel de verschillen wel duidelijk zijn, is het in het veld altijd even goed opletten. Vooral als er eentje over komt vliegen en je niet direct een referentie hebt voor de grootte.

 

Wintergast

In de zomermaanden zul je het smelleken hier niet aantreffen. De vogel broedt met name op de Scandinavische en Russische toendra’s. Zo tussen half september en eind oktober trekken de smellekens naar warmere streken om daar te overwinteren. Een deel trekt over ons land heen, maar zolang het niet te koud is verblijven er ook hier een aantal, vooral in open gebieden in West- en Noord-Nederland. Om, als het te koud wordt, alsnog verder zuidwaarts te trekken. En dan rond half maart tot wel eind mei trekken ze weer over naar hun broedgebieden. Op sommige plekken langs de kust, bijvoorbeeld in het uiterste puntje van Groningen maar ook bij Breskens in Zeeuws-Vlaanderen, worden soms wel tientallen smellekens geteld die overvliegen tijdens de trek. Er is overigens wel al enkele decennia sprake van een dalende trend, iedere winter worden er steeds minder smellekens geteld. Gemiddeld zo’n 200-300.

 

Brok dynamiet

Een smelleken houdt er weer een heel andere jachttechniek op na dan zijn familieleden. Hij bidt bijvoorbeeld niet als een torenvalk. Hij jaagt vooral op kleine vogeltjes, zoals bijvoorbeeld de graspieper (Anthus pratensis), veldleeuwerik (Alauda arvensis), kneu (Linaria cannabina) en roodborstapuit (Saxicola rubicola). Met name dus vogels van weiland, akker en heideveld. Daar is het smelleken dan ook in zijn element. De vogel zit vaak op een paaltje te wachten tot hij een prooi in de smiezen heeft, soms wel honderden meters verder. Als door een wesp gestoken vliegt hij vervolgens laag en snel richting de kleine vogeltjes, die bijvoorbeeld nietsvermoedend op de grond aan het foerageren zijn. Als ze opvliegen slaat het smelleken de prooi in de vlucht. En als de prooi probeert te ontkomen blijft het smelleken het vogeltje achtervolgen, soms wel vijf tot tien minuten lang. Net zolang tot deze te vermoeid is om nog te kunnen ontsnappen. Smellekens kunnen ook veldleeuweriken en graspiepers tot hoog in de lucht achtervolgen. Ze proberen er dan boven te komen om ze vervolgens in een duikvlucht te slaan.

 

Paloma Blanca

Het smelleken heeft zijn wetenschappelijke naam te danken aan de duif. Waarbij je meteen zou denken aan de overeenkomst qua formaat. Columbarius komt van het Latijnse columba, wat duif betekent. Toen Linnaeus in 1758 de naam voor het smelleken aan het bedenken was, had de Engelse bioloog Mark Catesby voor het Noord-Amerikaanse smelleken al de naam Accipiter palumbarius bedacht. En ook palumba komt van het Latijnse woord voor duif, denk maar aan de “Paloma Blanca“, waarmee de George Baker Selection ooit furore maakte. Om het makkelijk te maken had men in Europa deze wetenschappelijke naam Accipiter palumbarius al in gebruik voor de havik. Later kreeg deze de huidige naam Accipiter gentilis. Havik, sperwer en de valken werden toen nog tot één familie gerekend. Maar Linnaeus zag in dat er toch belangrijke verschillen waren tussen deze soorten, dus bedacht hij de nieuwe familie der valkachtigen Falconidae. Dit komt van het Laat-Latijnse ‘falx’ of ‘falcis’, dat sikkel betekent en refereert naar de klauwen van de vogel.

 

Patrijzenjacht

En zo kreeg het smelleken de naam Falco columbarius. Zat er toch nog een duif in de naam. Overigens hebben nu zowel het Noord-Amerikaanse als Europese smelleken deze wetenschappelijke naam en zijn beiden zijn beiden ondersoorten. Lang werd aangenomen dat deze naam afkomstig was van het formaat van het smelleken, maar Catesby had deze bedacht omdat de vogel wel degelijk duiven sloeg. Het smelleken werd dan ook voor de jacht gebruikt, met name door dames. Door de geringe grootte en gewicht was deze wat handzamer dan de andere soorten, zoals de slechtvalk. In het boek “Jacht Bedryff” van Cornelis Jacobszoon van Heenvliet uit 1635 wordt melding gemaakt van de jacht met het smelleken: “werd veel gebruijckt op leeuwercken, en oock op Perdrijs”. Dus ook voor de jacht op patrijzen, toch ook niet de kleinste vogelsoort. Daaruit blijkt wel wat een krachtig vogeltje dit is. Overigens is bekend dat ook de Russische tsarina Katharina II het smelleken gebruikte voor de jacht. Maar dan voornamelijk op leeuweriken en lijsters. Overigens is niet iedereen het eens over deze herkomst van de wetenschappelijke naam. Verschillende bronnen geven namelijk aan dat deze wel degelijk van het duifachtige formaat van het roofvogeltje komt.

 

Snelleken

In het Middel-Nederlands werd de vogel ook wel ‘smeerle’ genoemd. Deze zou afgeleid zijn van de oude Franse naam ‘esmeril’, wat komt van het Oud-Frankische ‘smiril’, in de betekenis van dwergvalk. Ook het Oud-Hoogduitse ‘Smerle’ is hier van afgeleid. Er zijn verschillende theorieën over de oorsprong van deze Franse en Duitse naam. Ze komen echter nog enigszins terug in de hedendaagse Franse en Duitse naam van de vogel, respectievelijk ‘faucon émerillon’ en ‘Merlin’. Overigens noemen ook de Engelsen de vogel ‘merlin’. Deze oude namen zouden in onze taal uiteindelijk tot smelleken hebben geleid, waarbij de uitgang “-ken” verwijst naar het kleine formaat van de vogel. Jac. P. Thijsse vermeldde de vogel overigens aanvankelijk als ‘snelleken’, daarmee verwijzend naar de typische snelle vlucht. 

 

Mocht je deze winter in het veld zijn en je ziet een klein roofvogeltje op een hoogte van een meter heel snel boven het veld vliegen, dan is de kans groot dat het een smelleken is. Ik heb zelf afgelopen voorjaar de kans gekregen om een vrouwtje op de foto te zetten. Waarbij ik snel moest reageren, want voor ik het wist was de vogel alweer gevlogen. Op jacht, achter de kleine vogeltjes aan. 

 

 

Bronnen:

 

Deze bijdrage is geplaatst in de categorie Vogels.

1 reactie op “Kleine donderstraal

  1. Wat een interessant verhaal en dan die foto’s!
    Ik heb ooit wel een smelleken gezien, maar dat was in de tijd dat alles in de natuur nog ‘normaal’ was en dat je dat dus niet opsloeg. Jammer, want nu krijg je niet zo vaak een tweede kans meer. Daarom extra leuk, dit verhaal!

Vond je het een leuk verhaal? Reageer als je dat wilt.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.