Het is half oktober. De zomerse temperaturen hebben plaats gemaakt voor herfstbuien. Regen en droge periodes wisselen elkaar af, met een lichte voorsprong voor de eerste. Af en toe piept het zonnetje er nog even door. Zodra de zonnestralen zich aandienen komen uit het niets nog enkele vlinders en libellen tevoorschijn. Om net zo snel te verdwijnen als er weer een buitje langstrekt. Grote kans dat de libellen die je ziet zogenaamde heidelibellen (Sympetrum) zijn. Een groep libellen die je tot laat in het jaar nog kunt aantreffen.

Niet alleen op de heide

Heidelibellen zijn, zoals de naam al doet vermoeden, echte libellen. Onder andere herkenbaar aan de vleugels die in ruststand haaks op het lijf staan en de ogen die elkaar – bijna – raken. Dit in tegenstelling tot de juffers waarbij de vleugels in rust langs hun lijf liggen en wiens ogen aan weerszijden van de kop uitsteken. De heidelibellen horen tot de familie van de korenbouten. Ook onder meer de platbuik (Libellula depressa), viervlek (Libellula quadrimaculata) en gewone oeverlibel (Orthetrum cancellatum) horen tot deze familie. De naam heidelibel is wel een beetje verwarrend, want je zou denken dat je deze alleen op de heide kunt tegenkomen. Het tegendeel is echter waar; heidelibellen kun je vrijwel overal in het land aantreffen. Er komen in Nederland negen soorten van dit geslacht voor, in dit blogje komen er een paar aan bod.

Verschillende namen voor dezelfde soort

Tot 1981 waren er in ons land verschillende namen voor veel libellensoorten in gebruik en in een van de boeken stonden zelfs voor dezelfde soort verschillende Nederlandse namen. Daarin kwam verandering in mei van dat jaar. Tijdens de zesde libellenstudiedag van de Nederlandse Libellen Onderzoekers (een voorloper van de Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie) had libellenexpert en entomoloog Marcel Wasscher een officiële Nederlandse namenlijst op de agenda gezet. Het gros van de aanwezigen zag dat wel zitten. Maar zoals bij iedere verandering waren er ook enkelen niet zo enthousiast en een van de redenen was dat de libellenwetenschap wel eens te populair zou kunnen worden. Inmiddels weten we dat juist brede kennis en burgerwetenschap van belang is om onder meer een goed beeld te krijgen van soorten en populaties.

Geleend uit het Duits

Voor het vaststellen van de Nederlandse libellennamen heeft men onder meer de al in gebruik zijnde (regionale) namen als uitgangspunt genomen. Ook werden er vertalingen toegepast uit het Engels, Duits en Latijn en waar nodig werden nieuwe soortnamen “bedacht”, bijvoorbeeld op basis van gedrag of uiterlijke kenmerken. Voor de familienaam heidelibel werd leentjebuur gespeeld bij de Duitsers. Daar gebruikte men deze naam al sinds 1919. De Duitse dichter en natuuronderzoeker Hermann Löns schreef toen in zijn Wasserjungfern over Heidelibellen naar de locatie waar hij deze soorten waarnam. Hij had al in de gaten dat dit niet voor alle soorten van toepassing was, maar omdat de vliegtijd van deze libellen rond de tijd was dat de heide in bloei stond klopte zijn verhaal weer. Zo kun je er natuurlijk altijd een draai aan geven. De naam was bij onze oosterburen al helemaal ingeburgerd en daarom hebben we deze in Nederland in 1981 overgenomen. Misschien had een andere naam voor wat minder verwarring gezorgd, maar als het beestje maar een naam heeft, toch?

Rode mannetjes

Een overeenkomst tussen alle heidelibellen is dat de uitgekleurde mannetjes rood zijn. (Met uitgekleurd word de volwassen libellen bedoeld. Libellen zijn namelijk niet meteen “op volle kleur”, dat duurt enige tijd. Met name jonge (“verse”) en oude mannetjes kunnen enorm in kleur verschillen. Sterker nog, jonge mannetjes lijken soms heel sterk op volwassen vrouwtjes.) De rode kleur van de mannetjes komt ook terug in de naam van de drie algemeen voorkomende heidelibellen in ons land: de bruinrode, steenrode en bloedrode heidelibel (respectievelijk (Sympetrum striolatum, S. vulgatum en S. sanguineum). Een regel zou echter geen regel zijn als daar geen uitzondering op is: er is namelijk ook een zwarte heidelibel (S. danae). En zoals de naam al doet vermoeden is het uitgekleurde mannetje, maar ook het vrouwtje, van deze soort overwegend zwart. Ook deze soort is overigens vrij algemeen voorkomend in Nederland.

Met of zonder snor

De bruin-, steen- en bloedrode heidelibellen lijken enorm op elkaar en vooral voor niet-geoefende kijkers zijn ze lastig te onderscheiden. Let daarom altijd eerst op de kleur van de poten. De bloedrode heeft namelijk, als een van de weinige heidelibellen, volledig zwarte poten. De bruin- en steenrode hebben lichtgekleurde lengtestrepen op de poten. (Dat komt overigens ook bij andere heidelibellen voor, maar het voert te ver om ook de verschillen met die soorten te benoemen.) Blijft over het verschil tussen deze laatste twee. Een belangrijk kenmerk is de zogenaamde snor. Een steenrode heeft namelijk een duidelijk aanwezige zwarte streep langs de binnenzijde van de ogen als een soort snor. Een bruinrode heeft deze streep niet. Dus met de “s” van snor, dan is het een sssteenrode. Zie de foto’s hieronder met links de steenrode inclusief snor en rechts de bruinrode zonder snor. Er zijn uiteraard nog meer onderscheidende uiterlijke kenmerken, waaronder de vorm van de legschede bij de vrouwtjes. Als je meer wilt weten hoe je de heidelibellen van elkaar kunt onderscheiden, kijk dan eens in dit document van Esther en Fazal. Daarin wordt een en ander heel duidelijk aan de hand van foto’s uitgelegd.

Dus als je een rode heidelibel ziet, let dan op de poten en de snor. Probeer een foto van de voorkant te maken, inclusief de poten. Dan weet je zo of je met een bloed-, bruin- of steenrode te maken hebt. Hieronder een aantal foto’s van deze drie soorten en van de zwarte heidelibel.

Bronnen:

Deze bijdrage is geplaatst in de categorie Libellen.

6 reacties op “Libellen in de herfst

Vond je het een leuk verhaal? Reageer als je dat wilt.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.