Het is soms verbazingwekkend om te zien hoe veerkrachtig de natuur is. Veel dieren hebben zich in de loop der eeuwen enorm kunnen aanpassen aan de mens, het verdwijnen van natuur en de opkomst van dorpen en steden. Denk bijvoorbeeld aan de slechtvalk (Falco peregrinus). Van origine broedt deze roofvogel in een nis of op een richel van een rotswand. Dat doet de vogel uiteraard nog steeds, bijvoorbeeld in de Belgische Ardennen en in oude steengroeves. Maar toen de vogel zijn leefgebied ging verruimen trof deze onder meer in Nederland steden aan met kerken en andere hoge gebouwen. Dat lijkt wel een beetje op zijn natuurlijke habitat, met veel rotsen van verschillende hoogte. Mooi jachtgebied en op richels van die hoge gebouwen kon wel een nest gebouwd worden. De slechtvalk is niet de enige die profiteert van onze gebouwen om een nest te bouwen. De huiszwaluw (Delichon urbicum) is bijvoorbeeld ook van oorsprong een rotsbroeder en vindt al eeuwen in dorpen en steden een broedplek. Al wordt hen die kans helaas al te vaak ontnomen, omdat mensen geen “rommel” aan hun huis willen.

Kokkels en mossels

Een andere vogel die zijn broedgebied steeds meer in de omgeving van de mens zoekt is de scholekster (Haematopus ostralegus). Een heel herkenbare steltloper, je hebt hem vast al een keer gezien. Het kan niet missen met zijn zwart-witte verenkleed, de rode kraaloogjes en de oranjerode snavel. Een vogel die tegenwoordig in heel ons land voorkomt, behalve in bosgebieden en kleinschalig cultuurlandschap. Het is echt een vogel van het open terrein. Niet vreemd, want van oorsprong is het een kustvogel. Daar heeft hij – hoe kan het ook anders – zijn Nederlandse en wetenschappelijke naam aan te danken. Maar niet omdat hij een liefhebber is van de schol (Pleuronectes platessa), want die eet hij helemaal niet. Op zijn menu aan de kust staan onder andere schelpdieren zoals kokkels en mossels, en verder garnalen en krabben. Maar geen schol. Waar komt die naam scholekster dan vandaan?

Onomatopee?

Het tweede deel ekster komt in ieder geval van de gelijkenis (qua kleur dan) met de ekster (Pica pica). Alhoewel de ekster van een afstand een zwart-wit verenkleed lijkt te hebben, maar als de zon op de veren schijnt komen er prachtige groene en blauwe tinten naar voren door het iriserend effect. Het verenkleed van de scholekster vertoont dit effect niet. Voor de herkomst van schol in de naam zijn er verschillende verklaringen, die variëren van een afgespleten schelpdeel tot een onomatopee (klanknabootsing). Er zijn ook ideeën dat schol afkomstig is van het Vroegnieuwnederlandse woord voor aardkluit. De ware herkomst heeft men nog niet kunnen achterhalen, maar duidelijk is in ieder geval dat de naam niks met de vissoort schol te maken heeft.

Oestervanger

De verwarring wordt nog groter doordat de Engelsen hem oystercatcher noemen en de Fransen preneur d’huitres, beiden betekenen oestervanger. En de Duitsers noemen hem Austernfischer, wat oestervisser betekent. En de oester komt ook terug in de wetenschappelijke soortnaam van de vogel. De geslachtsnaam heeft niks met het vangen van oesters te maken, maar alles met de kleur van de poten. Haematopus komt van het Griekse haima (= bloed) en pous (=poot), wat verwijst naar rode poten. Een naam die dus niet helemaal klopt, aangezien de poten van de scholekster roze zijn. De soortnaam ostralegus betekent zoveel als oesterverzamelaar. Dus weer die oesters, terwijl het beest helemaal geen oesters eet. Een mossel of kokkel krijgt hij nog wel open met zijn snavel, maar een oester niet. De vogel heeft wel een nabij familielid dat aan de kusten van Noord- en Zuid-Amerika leeft en die eet wel oesters: de American oystercatcher (Haematopus palliatus). Sterker nog, oesters zijn voor deze soort het hoofdbestanddeel van het menu. Op het eerste gezicht zien beide vogels er identiek uit.

Linnaeus

De Engelse natuuronderzoeker, tekenaar en ontdekkingsreiziger Mark Catesby (1682 – 1749) kwam de vogel tegen op een van zijn reizen door het Amerikaanse continent en tekent en beschrijft hem in deel 1 van zijn Natural History of Carolina (1730-1732). Zie de afbeeldingen hiernaast. Niet wetende dat de Amerikaanse vogel niet dezelfde is als de soort die in Europa en Azië voorkomt, geeft Catesby bij zijn terugkomst in Engeland de vogel ook de naam oystercatcher. Linnaeus neemt dit in 1758 voor de soortnaam over en de Europese scholekster gaat sindsdien ook wetenschappelijk als oestervanger door het leven.

Menu aanpassen

Om dan even terug te komen op de opening van dit blogje. Het aanpassingsvermogen van dieren, want daar ging het om. De scholekster is, zoals ik al schreef, van oorsprong een vogel van de kust. Onder meer de oprukkende bebouwing, het strandtoerisme en afname van voedsel in de kustbodem heeft er voor gezorgd dat de vogel zich steeds meer ophoudt in het binnenland, vooral in poldergebieden met akker- en weidegrond. Daar kun je ze in groepen tegenkomen, tussen onder meer de kieviten (Vanellus vanellus) en grutto’s (Limosa limosa). Hij heeft wel zijn menu wat moeten aanpassen, want kokkels en mossels ga je in die gebieden niet gauw vinden. Daar eet hij vooral wormen, emelten en insecten die zich in de grond ophouden. De scholekster broedt daar graag in vochtig, kruidenrijk grasland, in kort begraasde weilanden en op bouwland. Overigens hebben de ‘binnenlandse’ scholeksters zich in de loop der jaren zich zodanig geëvolueerd dat ook hun snavel is aangepast aan het gewijzigde voedselpatroon. Zie de afbeelding hiernaast en dit artikel op de website van CHIRP (Cumulative Human Impact on biRd Populations).

Zestig procent afname

Helaas was dat ook niet zaligmakend voor deze vogel, want sinds 1990 bleek de populatie in ons land met maar liefst zestig procent te zijn afgenomen. Als bij zoveel weidevogels ligt de oorzaak van deze afname onder meer bij de intensivering van de landbouw met als gevolg een gebrek aan water en te weinig kruidenrijke graslanden. Er blijft te weinig voedsel over om de jongen groot te brengen. En als ze al groot worden, hebben ze ook nog kans om onder de maaier terecht te komen of ten prooi te vallen aan onder meer de vos (Vulpes vulpes) en hermelijn (Mustela erminea). Maar die beesten moeten ook eten. Ook voedselafname in onder meer het Waddengebied, hun oorspronkelijke habitat, droeg bij aan de enorme afname van het aantal scholeksters.

Vliegende predatoren

Mede daardoor zijn de scholeksters op zoek gegaan naar nieuwe nestmogelijkheden. En die hebben ze gevonden! Veel scholeksters broeden namelijk op platte daken in de steden en dan met name daken waar grind op ligt. Het mannetje maakt een ondiep kuiltje in het grind en mevrouw scholekster legt daar vervolgens drie tot vier eieren in (zie de foto van Rinus Dillerop hiernaast). Perfect gecamoufleerd zodat ze niet opvallen voor predatoren. Want hoewel ze onder andere wegens predatie hun heil tot de stad zoeken, helemaal geweken is het gevaar natuurlijk niet. Ook op het dak moeten ze nog steeds alert zijn, maar dan voornamelijk op vliegende rovers. Onder meer de zilvermeeuw (Larus argentatus) en andere meeuwensoorten, maar ook zwarte kraaien (Corvus corone), eksters (Pica pica) en andere kraaiachtigen hebben het gemunt op de eieren en jonge scholeksters.

Donsballetjes

En dat is nog maar een deel van de hindernissen die de scholeksters op het dak moeten doorstaan. De jonge scholekstertjes zijn zogenaamde nestvlieders. Ze gaan dus vrij snel nadat ze uit het ei gekropen zijn op ontdekkingstocht. Al worden ze door pa en ma nog wel een week of vier gevoerd. Zo’n plat dak is vaak voorzien van regenwaterafvoeren met een flinke diameter. Er kan immers nogal wat water op zo’n oppervlakte vallen en dat moet snel afgevoerd worden. De jonge donsbolletjes kunnen op hun ontdekkingstocht op het dak in zo’n hemelwaterafvoer vallen. Of, nieuwsgierig als ze zijn, kunnen ze zich ook te dicht bij de dakrand begeven. Niet voor niets houden de oudervogels de jongen angstvallig in de gaten. Mogelijke vijanden worden met een schel “te-piet te-piet” en schijnaanvallen vakkundig weggejaagd. Aan die roep heeft de vogel overigens zijn volksnaam bonte piet te danken.

Schuilplaats

Om de scholeksters een handje te helpen in hun nieuwe habitat zijn er allerlei projecten opgezet. Onder meer om te onderzoeken hoe het broedsucces is van deze nieuwe urbane vogels en waar ze hun voedsel vandaan halen. Een van deze onderzoeken is van Bert Dijkstra en Rinus Dillerop. Sinds 2008 onderzoeken zij scholeksters in Assen en omstreken. Dit doen ze onder meer door platte daken waar de vogels broeden in kaart te brengen, de vogels te ringen en de eigenaren van de gebouwen te adviseren om beschermende maatregelen te treffen. Bijvoorbeeld door op het dak een mogelijkheid aan te brengen voor de jongen om onder te schuilen voor slecht weer en predatoren. Maar het zorgt ook voor wat schaduw ter bescherming tegen de zon. Met een simpele kist op zijn kop met een opening in een zijwand of een dicht pallet op het dak kan zo’n schuilgelegenheid al heel eenvoudig gecreëerd worden. Een bolrooster op de hemelwaterafvoer voorkomt verder dat de jonge scholeksters erin vallen.

Voedselrijke bermen en grasstroken

De laatste jaren worden sommige vogels ook uitgerust met een zendertje. Net zoals bij het ringen heeft de vogel daar overigens geen last van. Met zo’n zender is heel nauwkeurig te volgen waar de vogels zich ophouden, onder meer om te foerageren. Door deze zendertjes kwamen Dijkstra en Dillerop erachter dat de vogels hun voedsel voornamelijk halen in wegbermen en grasstroken die op bedrijventerreinen veel te vinden zijn en niet bijvoorbeeld in de weilanden verderop. Onderzoek van het bodemleven toonde vervolgens aan dat die weilanden qua voedsel veel armer waren dan die bermen en stroken. De combinatie van platte daken en deze foerageergebiedjes zijn dan ook ideaal gebleken voor de scholekster. Het aantal broedparen op de daken neemt alleen maar toe, terwijl die aantal in het buitengebied juist flink afnemen. Ook de overleving van de jongen op het dak ligt hoger dan het landelijk gemiddelde van 0,38 jong per broedpaar. Meer over de resultaten van dit onderzoek van Dijkstra en Dillerop in Assen kun je lezen in dit artikel uit Drentse Vogels nummer 32 uit 2018.

Een dak voor de scholekster

De scholekster kan dus best nog wel een beetje hulp gebruiken. Niet alleen om de populatie in de oorspronkelijke habitat aan de kust en het Waddengebied weer op peil te krijgen, maar ook in het binnenland samen met andere weidevogels. Lees meer over de scholekster en hoe je hem als weidevogel kunt helpen in deze folder van de Vogelbescherming. En als je een plat dak hebt is de kans best groot dat een scholekster je dak uitzoekt om op te gaan broeden. Ook dan kun je hem een handje helpen. Naast de maatregelen die ik hierboven al beschreef vind je in deze folder van de Vogelbescherming meer over de scholeksters en hoe je ze op je plat dak kunt beschermen. In 2019 is de Stichting Onderzoek Scholekster (SOS) bezig om de scholekster een plek in de stad te geven. Onder meer door onderzoek en voorlichting. Maar ook door middel van het verzamelen van informatie over broedgevallen. Heb je een nest op je plat dak of weet je een nest te zijn, geef het dan door aan deze stichting via deze pagina.

Oud beestje

Tot slot nog een leuk weetje. In augustus 2016 werd er op de Maasvlakte een scholekster waargenomen door vogelaar Hans Keijser. Deze vogel was voorzien van een aluminium pootring. Door het nummer af te lezen en door te geven aan het Vogeltrekstation kwam hij erachter dat deze vogel op 3 maart 1972 (!) geringd was op Texel. De vogel was toen al minimaal twee jaar oud en had dus op het moment dat Hans de vogel zag de respectabele leeftijd van minimaal 46 jaar! Over het algemeen worden scholeksters niet ouder dan zo’n twintig jaar, dus dit was echt een oud beestje.

Bronnen:

Deze bijdrage is geplaatst in de categorie Vogels.

14 reacties op “Bonte piet

  1. Tjonge jonge zeg, wat ’n respectabele leeftijd van de uitgelezen geringde scholekster!
    Ik kijk ‘r enthousiast en blij verrast van op! ❤
    Gelukkig zijn 2 van onze platte daken nog steeds voorzien van grind, maar nog nooit ’n nest waargenomen..van boven uit hebben we goed zicht op één, ik zal tòch met ’n ladder ’s wat meer op ons garagedak kijken als ’t voorjaar/zomer is..we laten ’t gegroeide mos tussen ’t grind lekker zitten, wat de kans op aanwezigheid van insecten ook vergroot..
    En onomatopie…wat ’n mooi nieuw woord voor me!
    En bijna vergeten maar ook heel belangrijk om te melden, op ’t platte dak tegen ons huis hebben we ’n paar maandjes geleden ook ’n bolrooster! Yes!
    Was weer ‘kei’-leerzaam Theo! Ik moet ‘r zowat van juichen en er is wéér wat bijgekomen waar ook ik aan kan bijdragen!
    Bedankt Theo! 👌❤🤩🙏🍀

  2. Dag Theo, weer een heel mooi, uitgebreid en leerzaam verhaal over de Scholekster. Dat minimale verschil met die Amerikaanse Scholekster en dat die wel oesters eet wist ik niet. Ook leuk die oude ringvondst. Vroeger toen ik nog Saeftinghe gids was vertelde ik de excursie gangers altijd over de hoge leeftijd die de Scholekster kan bereiken tot soms wel 30 jaar. Maar zo oud als deze…. En in die eind zeventiger en tachtiger jaren waren er nog zoveel Scholeksters (nesten) in Saeftinghe te vinden, dat is de laatste tientallen jaren erg achteruit gegaan.
    Ik kijk alweer uit naar het volgende stukje.

  3. Hoi Theo,

    Wat een mooi informatief stukje over de scholekster. Ik ken deze vogel redelijk goed: op Ameland waren ze rond 2010 nog goed vertegenwoordigd. Ze vingen kokkels, mosselen en ook oesters en gooiden die vanuit de lucht op een asfaltweg aan de Waddenkant, naast het water. Door de kracht van de val in combinatie met het asfalt (of de naastgelegen basaltblokken) braken ze vaak open. Als je pech had, gleed je met je fiets alle kanten op – dan hadden de scholeksters een goede oogst bemachtigd en lag het pad bezaaid met kapotte oester- en mosselschelpen 🙂
    Dat ze oud werden, wist ik, dat was op Ameland al een probleem omdat ze wel territoriaal zijn. Maar zó oud – nee, dat wist ik niet. Dat was dan ook een krasse knar die de mannen tegenkwamen!

    Mijn kinderen kenden ze van wandelingen langs de weilanden, zij noemden ze mini-ooievaars 😉

    Leuk, die herinneringen! Met plezier gelezen en geleerd over de Amerikaanse variant, die dan toch verschilt van de ons bekende vogel.

    • Dank je Marjolein 😊. Op die manier krijgt de scholekster oesterschelpen wel kapot. De Amerikaanse lukt het om ze met zijn snavel open te krijgen. Hij weet zijn snavel tussen de schelphelften te wrikken om vervolgens de sluitspier door te bijten.

  4. Heel veel dank voor dit zeer interessante stuk. Ik heb het met veel plezier gelezen en ben er weer wijzer door geworden.
    Wat is de mens toch een storende factor in de natuur. Dat maakt me wel een beetje verdrietig maar gelukkig kunnen we ook de helpende hand vaak bieden.
    Groetjes Ellen

  5. Dank je wel Theo.
    Mooie beestjes om te zien. En wat fijn dat ze zich weten aan te passen. Als de jongen hetzelfde verenkleed hebben als hun ouders, dan kan je toch nog verschil zien aan de snavel. De jongen hebben nog niet een egaal rode snavel, als ik mij niet vergis.
    En spectaculair, de leeftijd van 46! Hoe krijgt die het voor elkaar!

    • Graag gedaan Hanneke. Het klopt dat de snavel van de scholeksters in hun eerste levensjaren nog niet egaal rood is. Ze hebben een donker uiteinde, zoals je kunt zien op de laatste foto hierboven. Die is van een eerste kalenderjaar jong.

  6. Theo,wij zijn weer iets wijzer geworden, prachtig, Maar dit wilde ik jou ook nog vertellen, afgelopen zomer zagen wij ze ook geregeld overvliegen,ze vlogen altijd dezelfde route, 2 jaar geleden hebben ze,dat was vroeger een moeras , ze hebben het 30 cm afgegraven en hier staat nu ook op plaatsen water,en daar gaan ze naar toe,we hebben hier meerder watervogels gezien.Dit is een kalkmoeras,ze hebben hier vroeger kalk gewonnen, maar dan klein schalig.Gr.Jo

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*
*
Website