Komend weekend, van 24 tot en met 26 januari 2020, is het weer Nationale Tuinvogeltelling, dit jaar voor de zeventiende keer. In een eerder blogje heb ik hier al eens aandacht aan besteed. Het is in die twintig jaar een mooi voorbeeld geworden van burgerwetenschap of citizens science. Als je wilt weten wat dat inhoudt, kijk dan even in mijn blogje over de distelvlinders waarin ik dit begrip uitleg. Meedoen aan de tuinvogeltelling is niet moeilijk, de Vogelbescherming heeft er een hele website aan gewijd om te helpen met het tellen. De bedoeling is wel dat je het maximaal aantal vogels van een soort telt die gelijktijdig in je tuin zaten. Het is dus iets meer dan alleen vinkjes zetten.

Afchecken

Over vinkjes zetten (of aan-, af- of uitvinken) gesproken, wist je dat dit v-teken vrijwel zeker genoemd is naar de vink (Fringilla coelebs)? Niet alleen omdat het de beginletter van de vink is, maar ook omdat het op een sterk versimpelde tekening van een vliegend vogeltje lijkt. Zo een waar de lucht op kindertekeningen vaak mee gevuld is (naast een lachende zon en wolkerige wolken). Wanneer het vinkje zijn naam kreeg is niet helemaal bekend, maar al in de vijftiger jaren van de vorige eeuw werd deze term gebruikt. In de tegenwoordige tijd, waarin het veelvuldig gebruik van Engelse termen blijkbaar interessant is, gebruikt men liever het woord “checken”. Soms zelfs in de – helemaal foutieve – combinatie van “afchecken”. Om te gruwelen, nietwaar?

Altijd in de top zes

De vink, de vogel dan welteverstaan, is een erg algemene tuinvogel in ons land. Bij de tuinvogeltellingen heeft hij veel jaren gehinkt tussen de vijfde en zesde plaats, maar vorig jaar wist hij van de zesde plaats in een keer door te stoten naar een bronzen medaille. Hij stak daarmee de pimpelmees en merel ruim voorbij. De vink kun je in heel Nederland aantreffen, alhoewel de soort qua aantallen meer voorkomt in Noord-Brabant, Limburg, Gelderland, Overijssel en Drenthe. Dit kan heel simpel verklaard worden door het feit dat vinken voor hun eigen voedselvoorziening, maar zeker ook van hun jongen, zijn aangewezen op bosjes, heggen en houtwallen. Op graslanden en in akkerbouwgebieden hebben ze weinig te zoeken. De vink is in de periode van 1975 tot en met 2005 flink in aantal toegenomen als broedvogel en sinds 2005 blijft dit aantal vrij constant.

Zaden en planten

De kegelvormige snavel van de vink verraadt al dat het een echte zaadeter is. Je ziet ze dan ook vaak op voedertafels, maar ook daaronder om de gemorste zaden op te pikken. Ook zijn ze gek op beukennootjes, waar ze zich in het najaar in grote groepen te goed aan doen. Voor de nestjongen zijn zaden te hard en leveren te weinig eiwitten en dat is noodzakelijk om de jongen te laten groeien. En ook de oudervogels kunnen in de broedtijd wel wat extra energie gebruiken. Daarom schakelen ze in deze periode over op insecten. Zoals hierboven al staat, zul je de vink vrij weinig tegenkomen in akkerbouwgebieden. Dit tot tegenstelling van sommige familieleden van de vink, zoals de kneu (Linaria cannabina) en de putter (Carduelis carduelis). Deze soorten houden meer van zaden van ruigtekruiden. Zo heeft de kneu een voorkeur voor de zaden van vlas (Linum) en hennep (Cannabis), en de wetenschappelijke naam van dit vogeltje is dan ook afgeleid van deze planten. Diezelfde naamsverwijzing geldt ook voor de putter, die het meer voorzien heeft op de distels (Carduus), maar ook zijn officieuze (oude) naam distelvink hangt samen met deze voeselkeuze.

Kooivogel

De vink is een vrolijke zanger met een heel herkenbaar deuntje. Het is een aflopend riedeltje en aan het eind gaat dit even omhoog (de zogenaamde vinkenslag). Lastig uit te leggen, maar beluister de zang maar eens, bijvoorbeeld op de website van de Vogelbescherming. Zo vanaf februari kun je de mannetjes horen zingen en hun best doen om de vrouwtjes het hof te maken. Ze zingen hun deuntje dan niet een keer, maar blijven het herhalen, soms wel tien keer per minuut. De zangkunst, maar ook het fraaie uiterlijk van vooral de mannetjes, is bij de mensen ook niet onopgemerkt gebleven en al sinds de zestiende eeuw wordt de vogel in kooitjes gehouden voor hun zangkunsten. Tot ver in de vorige eeuw was het gebruikelijk om vogels met behulp van mistnetten, maar ook lijmstokken te vangen. Dat is gelukkig al lange tijd verboden, onder andere door de inspanningen begin twintigste eeuw van Jac. P. Thijsse, de nestor van de Nederlandse natuurbescherming.

Genieten

Maar op naar de tuinvogeltelling. Nog een paar dagen en het is zover. Oefen alvast met het herkennen van de vogels, mocht dat nodig zijn. Ga er volgend weekend lekker een half uurtje voor zitten en geniet van al dat leuks dat in je tuin komt. Voeren mag, uiteraard. Maar gebruik liever geen plastic netjes met pinda’s of vetbollen erin. Ten eerste is het slecht voor het milieu, maar nog meer is het gevaarlijk voor de vogeltjes die met hun kleine fragiele teentjes in de netjes verstrikt kunnen raken.

Veel telplezier!

Bronnen:

Deze bijdrage is geplaatst in de categorie Vogels.

12 reacties op “Vinkjes zetten

  1. Leuk stukje weer, vooral ‘vinkjes zetten’. Wij waren eens op een camping in Drenthe en ik zag op flinke afstand een vogel in het gras op ons veldje en ik wist meteen wat het was, Ik maakte een foto en liet hem aan mijn eega zien. Die had geen benul wat het was. Later gingen we naar de boerderij om ons in te schrijven, wat info te halen en ik liet de foto aan de boer en boerin zien. Hé zegt ze is dat niet die vogel die steeds in je buurt kwam toen je in de voortuin bezig was. Hij kijkt nog eens en zegt ja inderdaad dat is volgens mij die!? Maar hoe die heet? Een prachtige Appelvink en helemaal niet schuw dus.

    • Dank je Marina. Een appelvink, die is helemaal mooi. Met die grote krachtige snavel. Ik heb hem wel al gezien, maar helaas nog niet op de foto.

  2. Heel fijn geschreven. Een V weetje 😉.Wij tellen ook elk jaar vr Natuurpunt België. Mooi ineen gestoken.. Top prof Blog!!!❤

  3. Vandaag las ik in de “Veldgids Vogelzang” dat ‘vink’ een onomatopee (klanknabootsend woord) is – net zoals bijvoorbeeld Koekoek. Maar de v van vink was vroeger een f, (zoals in het Engels en Duits nog bewaard is), en nog langer geleden een p. Daardoor blijkt de naam ‘pink’ te zijn afgeleid van de opvallende vinkenroep: pink. Een vink roept dus nog steeds zijn oude naam!

  4. Leuke blog weer Theo!
    Ik doe dit jaar op twee plaatsen mee aan de vogeltelling. Thuis in de tuin en bij de schaapskooi.
    Leuk!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*
*
Website

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.