Sommige dieren hebben een naam waarbij je je kunt afvragen waar deze vandaan komt. Veel Nederlandse dierennamen zijn in de afgelopen twee eeuwen bedacht. Sommigen hebben zelfs pas sinds de laatste decennia van de vorige eeuw een Nederlandse naam. Onder meer bij sommige libellen- en juffersoorten, maar ook bij veel nachtvlinders is dat het geval. Maar een flink deel van de Nederlandse dierennamen vinden hun oorsprong in lang vervlogen tijden. Zo dateert de naam lijster al uit de periode rond 1300 en werd de naam meeuw al in 1287 gebruikt. De naam merel is nog ouder, uit de eerste helft van de 13e eeuw, wat ook geldt voor de naam wezel. Het diertje waar het in dit blogje over gaat heeft een naam die nog veel ouder is en terugvoert naar de Germaanse taal die in de eerste eeuwen aan het begin van onze jaartelling gesproken werd.

Lieve vrouw werd lieve heer

In die tijd werden vele goden vereerd. Uit de geschiedenisles van de basisschool herinner je misschien Wodan nog, de oppergod, en Donar, de dondergod. En Freyja, de godin van de liefde en vruchtbaarheid. De hoofdrolspeler van dit blogje, het lieveheersbeestje, werd door de Germanen Freyafugle genoemd, wat zoveel betekent als vogel van de godin Freyja. De Germanen zagen het lieveheersbeestje als een voorbode van de lente en dus van het aanbreken van het vruchtbare seizoen. Maar toen brak de periode aan dat het christendom aan haar expansiedrift begon. Daar was veelgoderij natuurlijk uit den boze en tijdens de kerstening, de bekering van deze niet-christelijke volkeren, moest alles wijken wat maar enigszins herinnerde aan die heidense verering van meer dan één god. Zo ook de naam Freyafugle, die plaats moest maken voor een meer christelijke variant en dat werd (onze)lieveheersbeestje.

Koekediefje

Overigens werd er in het verleden ook gesproken over het (onze)lievevrouwenbeestje. Dat sluit ook meer aan bij de buitenlandse namen. Want in het Duits heet het een Mariënkafer (dus de kever van Maria) en ook de Engelse naam verwijst naar Maria in de naam ladybird. In de Verenigde Staten spreekt men over de ladybug. De Fransen zijn er nog niet uit wie er vereerd moet worden, want naast de algemene naam coccinelle gebruikt men daar ook de namen bête de bon Dieu of bête de la Vierge. Overigens kent het lieveheersbeestje in ons land ook een veelheid aan (streek)namen, waarvan velen weer terugvoeren naar de christelijke achtergrond: jezusjesbeestje, lieve marijtje, mariabeestje en hemellammetje. Maar ook koffiekuikentje, molentandje en koekediefje. Ik ken het beestje al van kinds af aan als het pimpampoentje.

Verdwenen voorvleugels

Het lieveheersbeestje behoort tot de orde van de kevers (Coleoptera). Een belangrijk kenmerk van deze insectenfamilie is het dekschild, of eigenlijk de dekschilden, want het zijn er twee. De voorouders van de kevers hadden, net als bijvoorbeeld de libellen en de vlinders, twee paar vleugels. In de loop van vele millennia hebben de voorste vleugels zich ontwikkeld tot harde dekschilden. De tere achtervleugels zijn intact gebleven en worden in ruststand verborgen onder dit stevige pantser. Wie een lieveheersbeestje van dichtbij bekijkt ziet dat het diertje ook de pootjes en antennes kan verbergen onder dit pantser. De kleur van de dekschilden van lieveheersbeestjes is vaak rood of oranje en vaak voorzien van de nodige stippen. Die, zoals sommigen beweren, de leeftijd van het beestje verraden. Dat kan meteen naar het rijk der fabelen verwezen worden, want het aantal stippen heeft niks te maken met de leeftijd.

Zestigtal soorten

Het aantal stippen heeft wel alles te maken met de soort. Er is namelijk niet één soort lieveheersbeestje, maar op de hele wereld komen er zo’n 5000 soorten voor, waarvan ongeveer 750 in Europa en daarvan circa 60 in Nederland en België. Op deze poster van Stichting EIS Kenniscentrum Insecten staan er 43 van afgebeeld. Veel van deze soorten hebben zowel een wetenschappelijke als Nederlandse naam gekregen die een relatie heeft met het aantal stippen. Dit aantal is dan ook een belangrijk hulpmiddel bij het determineren. Een van de algemeen voorkomende soorten en wellicht het meest bekend is het zevenstippelig lieveheersbeestje (Coccinella septempunctata). De soortnaam septempunctata komt van het Latijnse ‘septem’ ofwel zeven en ‘punctata’ dat gestippeld betekent. Zo is er ook een soort met vierentwintig stippen, het – jawel – vierentwintigstippelig lieveheersbeestje (Subcoccinella vigintiquatuorpunctata). Viginti quattuor is Latijn voor vierentwintig. Makkelijk toch?

Veelkleurig

Inderdaad makkelijk en over het algemeen met de meeste lieveheersbeestjes goed toe te passen. Maar er zijn ook soorten lieveheersbeestjes die helemaal geen stippen hebben. En binnen sommige soorten is er ook de nodige variatie en zijn er ook individuen met en zonder stippen. En de stippen hoeven niet per se zwart te zijn. Kijk maar naar het meeldauwlieveheersbeestje (Halyzia sedecimguttata), dat rood/oranje van kleur is, maar met roomkleurige vlekken. Ook zijn er lieveheersbeestjes met meer vlekkerige patronen in plaats van duidelijke stippen. Een voorbeeld daarvan is het schaakbordlieveheersbeestje (Propylea quatuordecimpunctata). Deze heeft lichtgekleurde vlekken op een zwarte ondergrond, waarbij soms de lichte vlekken zodanig overheersen dat het eerder zwarte vlekken op een lichte ondergrond lijkt. Een heel bijzondere qua kleuren is wel het Aziatisch lieveheersbeestje (Harmonia axyridis), ook wel veelkleurig Aziatisch lieveheersbeestje genoemd.

Deukje op de rug

Die naam verraadt al meteen de bijzonderheid want deze soort is er namelijk in verschillende combinaties van oranjerood met zwart. Soms zwart met twee of vier oranjerode vlekken, die we de respectievelijk de kleurvariant conspicua en spectabilis noemen. En soms als basiskleur oranjerood met een veelheid aan stippen, variërend van nul tot negentien stuks. Deze variatie aan kleur en aantal stippen maakt het een lastige soort om te determineren. Er zijn echter twee belangrijke kenmerken waarin dit lieveheersbeestje zich onderscheidt van de andere soorten. Allereerst de zwarte ‘M’-vormige tekening op het halsschild (dat is het lichtgekleurde gedeelte tussen het rugschild en de kop). Deze is bij sommige kleurvarianten helemaal niet zichtbaar, zie de foto’s hieronder. En daarnaast heeft deze soort vaak een deukje of plooi aan de achterkant van het rugschild.

Biologisch tuinieren

De meeste lieveheersbeestjes eten larven en bladluizen. Er zijn daarnaast ook enkele vegetarische soorten, zoals het eerder genoemde meeldauwlieveheersbeestje dat van meeldauw leeft. (Dat is een soort pluisachtige laag op bladeren die ontstaat door aantasting door een schimmel, en komt onder andere bij granen voor.) Door hun voorkeur voor bladluizen zijn lieveheersbeestjes erg welkom in tuinen, maar ook bij tuinders. Bladluizen kunnen schade aan planten veroorzaken, onder meer door de overdracht van virussen en ziektes. Er kan dan ook sprake zijn van een ware luizenplaag. Om dit op een biologisch verantwoorde manier te bestrijden worden onder andere lieveheersbeestjes ingezet. Misschien waren onze inheemse lieveheersbeestjes op een gegeven moment te snel verzadigd of misschien te kieskeurig, waardoor ze te weinig luizen aten. Maar er zullen wellicht economische motieven aan ten grondslag gelegen hebben toen rond de eeuwwisseling lieveheersbeestjes uit Noordoost-Azië geïmporteerd werden om te worden ingezet in de tuinbouw.

Van plaagbestrijder tot plaaginsect

Deze Aziatische lieveheersbeestjes lusten wel pap van de bladluizen en gingen voortvarend aan de slag. Zo voortvarend dat er op een gegeven moment op de gewassen geen bladluis meer te bekennen was en hun ware aard naar boven kwam. Ze ontpopten zich tot een ware predator, waarbij ze zich onder andere op de eieren, larven en poppen van onze inheemse lieveheersbeestjes storten. Maar daar blijft het niet bij, want ook de volwassen inheemse lieveheersbeestjes moeten het ontgelden en worden verorberd. En als die op zijn, vergrijpt het beestje zich aan onder meer het rijpe fruit, wat weer een flinke schadepost voor de tuinder oplevert. Tel daarbij op dat – in tegenstelling tot wat men vooraf dacht – het Aziatisch lieveheersbeestje wel degelijk kan overleven in de Nederlandse winters en het hier ook geen natuurlijke vijanden heeft plus de snelle voortplanting met meerdere generaties per jaar met een enorme populatiegroei als gevolg. Zo is het middel erger dan de kwaal, de plaagbestrijder is zelf een plaaginsect geworden.

Bronnen:

Deze bijdrage is geplaatst in de categorie Natuur.

34 reacties op “Pimpampoentjes

  1. Dank je voor alweer een leerzame blog die heel prettig om te lezen is.
    Ik blijf graag even stilstaan bij de benamingen van de oude Germanen en hun goden. Wat het christendom toch toegelaten heeft, is dat de namen van de dagen, die toch letterlijk dagelijks gebruikt worden, nog verwijzen naar de voorchristelijke goden: woensdag = Wodansdag; donderdag = Donardag (god van de donder), en vrijdag = Freyadag. Om de Romeinen terwille te zijn behield me Saturnus in zaterdag. Zondag en maandag hoef ik waarschijnlijk niet uit te leggen. Die waren zonder goddelijk te zijn, heel belangrijk. Van waar naar wie dinsdag genoemd werd, ontgaat me even. Ik dacht even aan Odin , maar dat is dezelfde als Wodan, die al in woensdag herdacht wordt.
    De namen van de maanden ontleenden we aan de Romeinse goden en belangrijke personen, zoals keizer augustus. Janusmaand, mars (god van de oorlog). Ik zou het voor de andere maanden moeten opzoeken. Ik weet zeker dat ik het ergens kan terugvinden. Met extra zoekwerk, natuurlijk. Alleen staan de boeken met deze informatie in ons huis in Frankrijk en zijn de Belgische grenzen gesloten voor niet-essentiële reizen, waaronder blijkbaar ook de weg naar je tweede huis in het buitenland valt.

    In ieder geval, nog eens dankjewel voor de mooi geïllustreerde natuurverhalen.

    • Dank je Trees. De maanden na augustus danken hun namen aan het feit dat ze vroeger de zevende, achtste, negende en tiende maand waren van het Romeinse jaar.

    • Weer een hele leuke Theo. Wat een verscheidenheid aan lieveheersbeestjes. Uitdaging om er in de zomer zoveel mogelijk te vinden en misschien wel vast te leggen.

      Dank, Peter

  2. Wat weer een mooi verhaal en uitleg. Ik heb het met heel veel plezier gelezen. Heel erg bedankt.
    Het is ook mijn favorietje in mijn tuin.

  3. Wat een prachtige blog Theo. Beetje jammer dat stippen tellen niet waar is. Heb het m’n hele leven geloofd 😀

  4. Theo! Weer ‘n heerlijk leerzaam blogje van je! Vooral het stuk van de Aziatische predatoren heeft me beziggehouden. Is voor deze vraatzuchtige soort nog geen oplossing gevonden?
    Dankjewel weer!
    Groetjes!

  5. Een mooie blog over de lieveheersbeestjes. Mooi en interessant om te lezen waar ze hun naam aan te danken hebben. Ik vind ze zelf super leuk. Alleen gele zie ik weinig.
    Ook leuk dat je al veel dieren in jullie nieuwe tuin hebben gezien.🐞🐞🦊💋💋

  6. Leuk stukje Theo. Van de “ oranje” veelvraat was ik op de hoogte. Jammer voor onze inheemse variant.

  7. Bedankt voor deze leerzame blog.
    Ik stel meerdere blogs die zo leerzaam zijn, graag op prijs .

  8. Hij is weer mooi, Theo. Overigens noemden we bij ons thuis lieveheersbeestjes ook wel kapoentjes. Is die naam ook bekend bij je?

    • Dank je Magda. Kapoentje is inderdaad ook een veelgebruikte streeknaam voor lieveheersbeestjes. Wellicht dat dat zijn oorsprong heeft in het feit dat er een groep bladkevers bestaat die “haantjes” heten en dat die naam in sommige streken ook voor andere keverachtigen, zoals het lieveheersbeestje, werd gebruikt. Aangezien een kapoen een gecastreerde haan is, kan op die manier het lieveheersbeestje aan die bijnaam zijn gekomen.

  9. Dag Theo,

    Mooi interessant stukje.
    Een correctie voor de paragraaf Zestigtal soorten.
    septempunctata is niet de genusnaam, maar de soortnaam. Coccinella is de genusnaam (geslachtsnaam).

    Hartelijke groet, Leo

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*
*
Website