Op 1 februari is het dit jaar Chinees nieuwjaar. Of beter gezegd: dan start het Chinees nieuwjaar. Want traditioneel wordt dit gevierd vanaf de eerste tot en met de vijftiende dag van de eerste maand van het nieuwe jaar van de Chinese kalender. Wanneer die eerste dag van het nieuwe jaar is ligt wat ingewikkelder dan volgens onze Gregoriaanse kalender. Want dan is het gewoon ieder jaar 1 januari nieuwjaarsdag. Maar niet bij de Chinese kalender. Daar begint het nieuwe jaar op de dag waarop de tweede (soms de derde) nieuwe maan na de winterzonnewende plaatsvindt. In de Chinese kalender wordt aan ieder jaar een teken uit de dierenriem toegekend en dit jaar wordt het dus het Jaar van de Tijger. 

Jaar van de merel

Ook in ons land wordt sinds 2002 een dier, of beter gezegd een vogel, verbonden aan een jaar. Sovon Vogelonderzoek Nederland (Sovon) en Vogelbescherming Nederland zijn daar destijds mee begonnen. Ieder jaar wordt een soort gekozen die extra onderzoek nodig heeft voor een goede bescherming. In het eerste jaar 2002 was dat de ijsvogel (Alcedo atthis) en verder zijn onder meer de tapuit (Oenanthe oenanthe) in 2005, de scholekster (Haematopus ostralegus) in 2008, de boerenzwaluw (Hirundo rustica) in 2011 en de huiszwaluw (Delichon urbicum) in 2018 aan bod gekomen. En 2020 was het de wilde eend (Anas platyrhynchos). Een tamelijk algemeen voorkomende soort, wie kent hem immers niet? Maar de laatste jaren gaat deze soort qua aantallen op onduidelijke wijze en vrij onverwacht hard achteruit. In 2021 was er geen vogel van het jaar, maar zijn Sovon en Vogelbescherming begonnen met de voorbereidingen voor 2022. Het jaar waarin de merel (Turdus merula) centraal staat.

Verdwenen uit de top drie

En dat is niet voor niets. Net als met de wilde eend gaat het met de merel enorm slecht in Nederland. Deze vogel is de meest algemeen voorkomende soort in ons land en is vrijwel overal in tuinen en parken te vinden. Maar sinds 2007 nemen de aantallen al licht af en sinds 2016 gaat het echt schrikbarend snel. In een tijdsbestek van enkele jaren is de broedpopulatie met bijna 30 procent afgenomen. En de afname is ook goed zichtbaar bij de resultaten van de Nationale Tuinvogeltelling. Tot 2017 stond de merel vijftien jaar lang op de derde plaats na de eeuwige nummers één de huismus (Passer domesticus) en twee de koolmees (Parus major). In dat jaar daalde de vogel naar de vijfde plaats en sindsdien hipt hij letterlijk tussen de vierde en vijfde plaats in de telling. 

Usutuvirus

De achteruitgang van het aantal merels heeft twee vermoedelijke oorzaken. Allereerst het usutuvirus dat in 2016 ook in Nederland de kop opstak. Dit virus kent zijn oorsprong in Afrika en wordt door steekmuggen overgedragen. Het infecteert vogels en zoogdieren en alhoewel je er vrij weinig over hoort, kunnen ook mensen ermee besmet worden. Vooral bij ouderen en mensen met afweerstoornissen kan het virus zorgen voor een zwaar ziekteverloop, dat gepaard gaat met koorts, hoofdpijn en huiduitslag. In het ergste geval kan het hersenvliesontsteking veroorzaken. Voor vogels is besmetting met het virus vaak dodelijk en vooral merels worden er flink door getroffen. in 2001 werd het virus voor het eerst buiten Afrika ontdekt en wel in Oostenrijk, waar het voor een ware veldslag onder de merels zorgde. Latere onderzoeken toonden aan dat het virus vermoedelijk al in 1996 verantwoordelijk was voor een grote vogelsterfte in Toscane.

Zachte winters

Een tweede vermoedelijke oorzaak ligt ook hier weer in de veranderingen van het klimaat. Want hoewel je het niet direct zou zeggen, zijn merels ook trekvogels. Zodra het hier echt te koud wordt trekken “onze” merels zuidwaarts. Alleen valt dat niet zo op, omdat hun plek ingenomen wordt door vogels uit Noord-Europa die op hun beurt hier komen overwinteren. En onze winters zijn de afgelopen jaren niet meer zo streng, dus blijven er veel merels hier en die worden aangevuld met vogels uit Scandinavië. Het aantal merels in de winter was hier dus over het algemeen hoger dan in de zomer. De laatste jaren zijn de winters in Noordoost-Europa echter ook niet meer wat het geweest is en blijven veel vogels lekker daar. Dus kom je per saldo op een lager aantal merels uit bij de tuinvogeltelling in januari. Haal daar dan ook nog het aantal slachtoffers van het usutuvirus af en je begrijpt meteen waarom de aantallen de laatste jaren afgenomen zijn.

Vrolijker zanger

Ondanks deze pessimistische signalen hoeven we de merel gelukkig nog niet te missen. Want zodra het voorjaar begint te worden zingt het mannetje vanaf een hoge plek de longen uit zijn lijfje met zijn prachtige fluitende en rollende zang. Soms uren achtereen. De merelmannen zingen niet zomaar, maar om hun territorium te verdedigen en om vrouwtjes te lokken. Ze hebben een heel uitgebreid repertoire en hun zang is heel herkenbaar. En als ze niet zingen dan hoor je wel de alarmroep als er onraad dreigt. Merels kennen daarvoor verschillende roepjes waarmee ze elkaar waarschuwen. Ze maken daarbij onder meer ook onderscheid tussen gevaar vanaf de grond (bijvoorbeeld een kat) en in de lucht (bijvoorbeeld een sperwer). Let er maar eens op als je een merel hoort alarmeren op het moment dat er een kat door de tuin sluipt.

Cultuurvolger

Merels zijn overigens van oorsprong echte bosvogels. Tot halverwege de negentiende eeuw leidde de vogel een teruggetrokken leven in dichte loofbossen, waar ze nauwelijks uit kwamen. Ze moesten niks van mensen weten (geef ze eens ongelijk ;-)), bleven ver van ze vandaan en alleen bij hele strenge sneeuwval zochten de merels de bebouwing op. Op een gegeven moment begonnen ze toch steeds vaker de menselijke omgeving op te zoeken en in het begin van de twintigste eeuw werd de vogel pas algemeen gezien in dorpen en steden. De merel is dan ook echt een typisch voorbeeld van een cultuurvolger: ze maken dankbaar gebruik van de mogelijkheden die door ons mensen geboden worden. Bijvoorbeeld omdat er in de tuinen vaak voldoende te eten is. In de gazons zijn regenwormen, slakken en insecten te vinden en vaak worden de vogels in de winter (maar ook jaarrond) voorzien van extra voer. Merels zijn dan ook echte alleseters.

Promotieonderzoek

De merels hebben zich dan ook bijzonder goed aangepast aan ons mensen. Die aanpassing heeft ook nog andere gevolgen. In december 2009 promoveerde gedragsbioloog Erwin Ripmeester aan de Universiteit van Leiden op zijn onderzoek naar de vergelijking tussen stads- en bosmerels. Hij kwam onder meer tot de conclusie dat de tussenpauzes in het lied van de stadsmerels korter was dan bij hun soortgenoten in het bos. En dat komt doordat er per oppervlak meer merels zijn in de stad dan in het bos. Dus om ervoor te zorgen dat ze wel opvallen voor de vrouwtjes, moeten ze zoveel mogelijk zingen en dus zo weinig mogelijk pauzeren. Daarnaast blijken de stadse merels ook hoger te zingen dan hun bosgenoten. En dat doen ze waarschijnlijk om boven het stedelijk lawaai uit te komen.

Stadsmerel

Dat was niet het enige dat Ripmeester tijdens zijn onderzoek ontdekte. Het bleek namelijk ook dat de mannetjes merels in de stad zwaarder zijn en soms ook een kortere snavel en poten hebben. En het gaat nog een stapje verder. Er zat ook verschil in het DNA van de stads- en bosmerels. Ofwel, de stads- en bosmerels evolueren naast elkaar en er is steeds minder sprake van genetische uitwisseling. Wellicht dat er over enkele decennia sprake is van een nieuwe ondersoort: de stadsmerel (Turdus merula domestica?). Dit is geen grapje hoor. Kijk bijvoorbeeld naar de stadsduif (Columba livia domestica). Dit is een afstammeling van de rotsduif (Columba livia). Een duivensoort die in ons land niet voorkomt, maar die aan de oorsprong stond van onder meer de postduif. De stadsduif is ontstaan uit ontsnapte gedomesticeerde (dus door de mensen gehouden) duiven en heeft zich in de loop der jaren tot een aparte ondersoort ontwikkeld. Alleen is er bij de merel geen sprake van een gedomesticeerde soort, maar wel van een ontwikkeling die mede het gevolg is van menselijke invloed.

Veel jongen

Hoewel de populatie van de merel zo onder druk staat, weet de vogel zich toch nog aardig te handhaven. Dat komt niet in de laatste plaats doordat de vogel twee tot soms wel vier legsels per jaar heeft. Ieder legsel bestaat uit vier tot vijf eieren en in een goed jaar wel zes. Zo kunnen ze dus veel jongen grootbrengen. De jonge vogels worden na het uitvliegen nog een week of twee tot drie door met name het mannetje verzorgd, terwijl het vrouwtje alweer aan een nieuw broedsel begonnen is. Natuurlijk redden veel jongen het niet tot volwassen vogel. Met name katten zijn daar de oorzaak van. Maar ook kraaiachtigen en zelfs spechten weten de eieren en jongen te vinden. 

Tuinvogels tellen

Dit weekend is het weer Nationale Tuinvogeltelling. Ik ben benieuwd hoe het nu met de merel gaat, zeker in dit jaar waarin deze soort extra in de belangstelling staat. In onze tuin zie ik soms wel zes tot acht merels. Foeragerend, zingend, soms zitten ze elkaar achterna. Mannetjes die andere kerels verjagen of achter de vrouwtjes aan zitten. De mannetjes zijn overigens goed herkenbaar aan hun gitzwarte verenkleed met de feloranje snavel. De vrouwtjes zijn donkerbruin gekleurd met een wat lichtere borst en hun snavel is minder opvallend van kleur. Jonge merels, met name de mannetjes, hebben tot en met de eerste winter een donkergekleurde snavel. 

Volgens de uitslag van de Tuinvogeltelling van 2021 kwam de merel in 73% van de tuinen voor, dus grote kans dat jij hem dit weekend ook gaat zien. Tel je mee?

Bronnen

Deze bijdrage is geplaatst in de categorie Vogels.

8 reacties op “De merel

  1. Bedankt voor deze interessante blog over de merel. Jammer dat het slechter met de merel gaat maar gelukkig zie ik hem / haar geregeld in de tuin. Gr Wilma

  2. Wederom een leuke en leerzame blog Theo. Leuk dat je ook de duif er nog even bij betrekt. Je noemt de holenduif, Colomba oenas, niet Ook een afstammeling van de rotstuin dacht ik. Ik kom ze af en toe tegen op het hoge land en in Drenthe.

    • Dank je Peter. De holenduif is volgens mij taxonomisch gezien geen directe afstammeling of ondersoort van de Colomba oenas. Anders zou immers de soortnaam ook C. livia zijn met een toevoeging. Ze zullen wel dezelfde voorouders hebben.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*
*
Website