De afgelopen weken ben ik ’s avonds regelmatig op stap geweest. Achter de vrouwtjes aan. Met goedkeuring van mijn echtgenote hoor, wees maar niet ongerust. Gewapend met een degelijke zaklamp en uiteraard mijn camera heb ik menig uurtje in het bosperceeltjes achter ons huis rondgestruind. Minutieus speurend naar een mooi vrijgezel vrouwtje. Mannetjes genoeg, daar was ik echter niet naar op zoek. Ik had wel een paar vrijende koppeltjes gevonden, maar mijn zucht naar een alleenstaand vrouwtje was echter te groot om hier genoegen mee te nemen. En uiteindelijk op de derde avond dat ik aan het zoeken was, ik het bosje bijna volledig doorkruist had en vrijwel elke boom bekeken, had ik sjans. Daar zat ze, moederziel alleen, als een soort muurbloempje te wachten tot ze behaagd en bemind zou worden.

Vleugelloos

Voor dat laatste moest ik haar toch teleurstellen. Ik was niet naar haar op zoek geweest om haar te behagen noch te beminnen. Daarvoor moest ze zich toch echt tot haar mannelijke soortgenoten wenden, die overigens bij tientallen in het bosje te vinden waren. Mijn enige doel was om haar op de foto vast te leggen, voordat ze met een van de mannetjes zou gaan paren. En eindelijk had ik haar voor de camera: een vrouwtje van de kleine wintervlinder (Operophtera brumata). Geen bijzondere schoonheid, integendeel. Een klein bruinig insect met zes pootjes en vrijwel niets wat op het eerste gezicht wijst op een relatie met de o zo prachtige vlinders die zowel overdag als ’s nachts rondvliegen. Maar ze is wel heel bijzonder, het is namelijk een van de weinige soorten vlinders in ons land waarvan de vrouwtje niet kunnen vliegen. Slechts een paar rudimentaire stompjes op haar rug wijzen op iets wat ooit vleugels geweest zijn.

Niet eten

Doordat de vrouwtjes niet kunnen vliegen, komen ze vaak niet verder dan de boom waar ze als rupsje uit het eitje gekropen zijn. Soms een boom of twee verder, maar groter is hun wereldje niet. Ambitieuze mannetjes willen de vrouwtjes nog wel eens al parend (in copula, zoals dat in formele termen heet, zie de laatste foto) meevoeren naar een andere boom, maar het liefst verspillen ze daar geen energie aan. Want energie is kostbaar, zeker voor soorten als de kleine wintervlinder. Het ontbreekt hen namelijk aan monddelen en spijsverteringsorganen. Ofwel ze kunnen niet eten. De vlinders moeten teren op de reserves die ze in het rupsenstadium hebben opgeslagen. Voor de vrouwtjes is het daarom helemaal van belang dat ze zo weinig mogelijk energie verspillen. Eitjes produceren en afzetten kost al heel veel energie en alle besparing is daarom welkom. Dat is een van de redenen dat bij de vrouwtjes van de kleine wintervlinder de vleugels ontbreken.

Feromonen

Een andere reden is het moment van paren en eiafzet. De kleine wintervlinders komen vanaf oktober uit de pop. De mannetjes gaan vliegen en de vrouwtjes kruipen behendig langs de boomstam naar boven om te wachten op hun Casanova’s. Zowel dag- als nachtvlinders hebben om te vliegen een lichaamstemperatuur nodig van zo’n 30 graden. Om die temperatuur te bereiken gaan dagvlinders lekker in het zonnetje zitten opwarmen. Nachtvlinders kunnen dat niet en warmen zichzelf op door met hun vleugels te trillen, wat weer extra energie kost. De vleugelloze vrouwtjes besparen dus op die manier een hoop energie. En de mannetjes komen toch wel op de vrouwtjes af. Daar zorgen haar feromonen wel voor: geurstoffen die voor ons niet waarneembaar zijn, maar die de mannelijke vlinders tot op tientallen (soms zelfs honderden) meters het hoofd op hol kunnen brengen. Overigens is de kleine wintervlinder niet de enige soort met vleugelloze vrouwtjes. Ook de vrouwtjes van andere najaars- en voorjaarssoorten, zoals de grote wintervlinder (Erannis defoliaria), najaarsspanner (Agriopis aurantiaria) en de grote voorjaarsspanner (Agriopis marginaria) zijn vleugelloos.

Geen lang leven

Na de paring, die wel twee tot vier uur kan duren, kruipt het vrouwtje verder omhoog de boom in en legt haar eitjes onder meer in spleten in de bast. Niet allemaal bij elkaar, maar verspreid over de boom zodat de overlevingskans van de rupsen groter wordt. Als de eitjes afgezet zijn, zit de taak voor het vrouwtje erop; zij zal kort daarna sterven. Overigens zijn de mannetjes ook geen lang leven beschoren. Als ze geluk hebben treffen ze nog een vrouwtje om te paren, maar de meesten redden dat niet eens. Bij de kleine (en grote) wintervlinder gaat de voorkeur om eitjes te leggen uit naar zomereiken (Quercus robur), maar echt heel kieskeurig zijn ze nu ook weer niet. Je kunt ze dan ook op allerlei loofbomen tegenkomen. Ik heb ze – bij gebrek aan eiken in het dorpsbosje – met name gevonden op gewone es (Fraxinus excelsior) en meidoorn (Crataegus spec.).

Tarzan

In het vroege voorjaar komen de rupsen uit en slaan aan het vreten. Ze vreten zich letterlijk helemaal rond zodat ze later, na de verpopping, als vlinder kunnen zorgen voor nageslacht. De rupsjes voeden zich met de jonge frisse blaadjes en kunnen zo een hele boom kaalvreten. Als er onvoldoende voedsel is, of als de jonge blaadjes op zijn, kunnen de rupsen verkassen naar een andere boom. Ze spinnen een draad en laten zich hangend aan de draad met de wind meevoeren, als Tarzan slingerend aan een liaan. In het voorjaar heb je vast wel al eens zo’n klein groen rupsje aan een spinseldraadje zien hangen. Overigens zitten ze ook op fruitbomen en worden daarom door fruittelers gezien als plaag. De volgevreten rupsen kruipen rond half juni in de strooisellaag om te gaan verpoppen en komen vanaf oktober weer als vlinder tevoorschijn.

Rupsenpiek

De rupsen van de wintervlinders zijn van erg groot belang voor vogels. Zij vormen namelijk in de lente het bulkvoedsel voor de jongen van onder meer de koolmees (Parus major) en pimpelmees (Cyanistes caeruleus). De meesjes vliegen dan ook af en aan met deze kleine groene eiwitbommetjes. Het hoogtepunt qua aantallen van de rupsen, wat we de rupsenpiek noemen, liep jarenlang synchroon met het moment dat al deze hongerige bekjes gevoed moesten worden. De klimaatverandering schopt dit echter aardig in de war. In de afgelopen veertig jaar is het moment van uitlopen van de bladeren van de eik met zo’n tien dagen vervroegd. De pasgeboren rupsjes teren met name op jonge blaadjes, die zorgen voor grote, sterke rupsen. Maar als de bladeren eerder uitlopen, zijn er te weinig jonge blaadjes voor al die vreetgrage wurmpjes. Oudere bladeren kunnen ze wel eten, maar die zorgen er door het gebrek aan essentiële stoffen voor dat de rupsjes klein blijven en uiteindelijk ook kleinere vlinders opleveren. Ook wordt de overlevingskans van de rups kleiner. Het luistert dus heel nauw wanneer de rupsjes uit het eitje komen. Niet te vroeg, maar ook niet te laat.

Lerend vermogen

Mede door het mildere voorjaar komen de vlindereitjes tegenwoordig twee weken eerder uit dan in de tachtiger jaren. Daarmee heeft de wintervlinder zich eigenlijk te ruim aangepast aan de cyclus van de boom, want die heeft het moment van bladuitloop slechts met tien dagen vervroegd. De rupsjes komen daardoor vier tot vijf dagen te vroeg uit en is er nog onvoldoende voedsel. Daarnaast kan er tussen de individuele bomen ook nog eens een verschil bestaan in het uitlopen van de bladeren. Onderzoek heeft aangetoond dat de vrouwtjes op basis van eigen ervaringen als rups de ontwikkeltijd van de eitjes kunnen beïnvloeden. Daardoor zal de volgende generatie rupsjes op vrijwel het juiste moment uitkomen en kunnen genieten van verse sappige blaadjes. En dat is dus nog een voordeel van het vleugelloze bestaan van de vrouwtjes. Doordat ze vaak generatie na generatie op dezelfde boom blijven, zijn ze in staat gebleken om het juiste moment van uitkomen van de eitjes aan te passen en zo de overlevingskansen van de rupsjes en daardoor van de soort te vergroten.

Mezen lopen achter

De wintervlinders hebben zich dan wel relatief snel aan kunnen passen aan de klimaatveranderingen, bij de vogels is dat een ander verhaal. Het moment van eileg hangt bij vogels namelijk niet alleen af van de temperatuur, maar ook van de daglengte. En die verandert niet. Onderzoekers hebben gezien dat vogels toch in de afgelopen 25 jaar een week tot wel twee weken eerder zijn gaan starten met de eileg om zo synchroon te kunnen lopen met de rupsenpiek. Daarbij is ook opgevallen dat dit moment van eerdere eileg van moeder op dochter overgedragen wordt. Het aanpassen gaat bij de vogels minder hard dan bij de wintervlinders, ze lopen nog één tot anderhalve week achter: de rupsenpiek is al over haar hoogtepunt heen als de vraag van de mezen het grootst is. De mezen zullen dus nog een tandje bij moeten zetten, willen volgende generaties voldoende rupsen – en dus kansen – hebben om te overleven.

Bronnen:

4 reacties op “Achter de vrouwtjes aan…

    • Zeker Madelon, we weten maar een fractie van de natuur en dan zijn wij nog degenen die zich erin verdiepen. Dank voor je reactie 😊

  1. Wat een waardevolle informatie . De natuur met al zijn schoonheid en kwetsbaarheid doet me elke keer weer ontroeren, zo óók dit verhaal. Alles is onlosmakelijk met elkaar verbonden. We moeten koesteren en beschermen van wat er nu nog is. Dank voor je info. Je hebt een leuke, speelse manier van vertellen. Ik blijf je zéker volgen!
    Groet, Margreet

Vond je het een leuk verhaal? Reageer als je dat wilt.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.