Allemaal vlinders

Voor de vierde keer op rij stond de maand mei in het teken van de nachtvlinders. In 2020 ben ik gestart met #meimotten op Twitter. Elke dag zet ik dan een nachtvlindersoort, -familie of -groep in het zonnetje op de sociale media. Enerzijds om iedereen mee te laten genieten van de pracht en variatie van deze mooie insecten. Anderzijds om aandacht te vragen voor de vlinders omdat ze onder zware druk staan. Verdroging, klimaatverandering, stikstofdepositie, vergiftiging, verdwijnen en vernietigen van geschikte habitats; bekende oorzaken waar nog veel te weinig actie op ondernomen wordt. En we hebben die insecten zo keihard nodig, net zoals de hele natuur overigens. Daarom aandacht voor de nachtvlinders.

Dag en nacht verschil

Maar wat maakt een nachtvlinder nu eigenlijk een nachtvlinder? Waarin is deze anders dan een dagvlinder? En wanneer is het nu een micronachtvlinder en wanneer een macronachtvlinder? Wat zijn de verschillen? Wat zijn motten?

Ik kan me voorstellen dat deze vragen soms bij je naar boven komen. Want vlinders zijn toch vlinders? Als leek zie je – vrijwel – geen verschil tussen een dag- of een nachtvlinder. Zeker niet als je er overdag een ziet vliegen die stiekem toch een nachtvlinder blijkt te zijn. Er zijn ook geen keiharde wetenschappelijk onderbouwde verschillen te vinden tussen de dag- en nachtvlinders. Alle verschillen zijn arbitrair en op iedere regel zijn er weer uitzonderingen. Bestaat het onderscheid wel of is het alleen omdat wij als mensen graag een onderscheid maken?Wereldwijd zijn er wel een paar algemene regels waarmee we de dag- en nachtvlinders van elkaar onderscheiden. In dit blogje ga ik proberen uit te leggen hoe dat zit.

Schubjes

Om te beginnen behoren alle vlinders tot de orde van de Lepidoptera, ofwel de schubvleugeligen. De vleugels zijn een dun doorzichtig vlies zoals bij andere vliegende insecten, maar bij de vlinders zijn ze bedekt met hele kleine schubjes. Vandaar de naam. Deze schubjes kunnen makkelijk loslaten als ze ergens mee in aanraking komen. Je hebt misschien wel eens een vlindervleugel aangeraakt of per ongeluk vastgepakt. Er blijft dan een soort poeder achter op je vingers en dat zijn de schubjes. Bij verse vlinders, die dus net uit de pop gekropen zijn, zijn de vleugels nog mooi op kleur want alle schubjes zitten er nog op. Maar door het vliegen en contact met takjes, bladeren, bloemen et cetera raken er steeds meer schubjes los. De kleur verdwijnt en soms zijn er vleugeldelen waar vrijwel geen schubjes meer op zitten. Alleen een waas van de oorspronkelijke kleur is nog zichtbaar. De vlinder kan echter nog wel vliegen.We noemen dit ook wel dat de vlinder afgevlogen is. Overigens gebeurt het ook dat er hele stukken uit de vleugel verdwenen zijn door slijtage. Wonderbaarlijk genoeg fladdert de vlinder dan nog steeds vrolijk rond.

Nachtelijke bloeiers

Dus, dag- en nachtvlinders: het zijn allemaal schubvleugeligen. Over het algemeen is het zo dat de dagvlinders zich alleen overdag vertonen. Soms vliegt er wel eens eentje ‘s nachts rond, maar dat is eerder een uitzondering dan een regel. Maar je hebt dus ook nachtvlinders die overdag vliegen, zoals de sint-jacobsvlinder (Tyria jacobaeae) en de kolibrievlinder (Macroglossum stellatarum) (foto). En je hebt nachtvlinders die zich zowel ‘s nachts als overdag laten zien. De gamma-uil (Autographa gamma) is daar een bekend voorbeeld van. Waarom deze nachtvlinders overdag vliegen? Waarschijnlijk om zich met nectar te voeden uit bloemen. Sommige bloemen zijn ‘s nachts letterlijk gesloten, waardoor de vlinders er niet bij kunnen. Alhoewel andere bloemen juist ‘s nachts weer geopend zijn, zoals de teunisbloem (Oenothera), hertshooi (Hypericum) en nachtschone (Mirabilis jalapa). Dit zijn ware nachtvlindertrekkers. En ook de kamperfoelie (Lonicera) staat erom bekend dat, hoewel de bloemen ook overdag geopend zijn, deze vooral ‘s avonds en ‘s nachts enorm ruiken en veel nachtvlinders aantrekken.

200 miljoen jaar geleden

De eerste vlinders waren volgens de wetenschappers nachtvlinders. Waar ze dat op baseren is mij niet bekend, maar er zijn fossiele resten gevonden van vlinderachtigen die zo’n 180 tot 200 miljoen jaar geleden geleefd hebben. En deze vlinderachtigen hadden ook al een primitieve probiscis (zuigbuis) ontwikkeld, zoals de roltong die ook de hedendaagse vlinders hebben. Met die probiscis zuigen vlinders onder andere nectar op van planten. Maar 200 miljoen jaar geleden waren er helemaal nog geen bloeiende planten op de aarde, die kwamen pas 70 miljoen jaar later. De planten van 200 miljoen jaar geleden waren zogenaamde naaktzadigen (gymnospermen), zoals varens en conifeerachtigen, die geen bloemen hebben. Deze vlinderachtigen die toen leefden konden zich dus niet met nectar voeden zoals de moderne vlinders. Vermoedelijk voedden deze vlinders zich onder andere met suikerhoudende bestuivingdruppels die door de planten werden uitgescheiden. Waar de rupsen van leefden is mij niet bekend, maar dat zullen wellicht dezelfde planten geweest zijn. Maar misschien haalden ze hun voedsel ook ergens anders vandaan, algen en mossen bijvoorbeeld.

Vleermuizen

Op een gegeven moment, zo’n 50 miljoen jaar geleden, zijn sommige soorten nachtvlinders overdag gaan vliegen, waardoor de dagvlinders ontstonden. De bloeiende planten, de bedektzadigen, bestonden toen al heel lang. Een van de eerste bloeiende planten was de Montsechia vidalii. Een waterplant die zo’n 125 tot 130 miljoen jaar geleden voorkwam in zoetwatermeren in wat nu de bergachtige gebieden in Spanje zijn. De nachtvlinders hadden dus niet direct de bloeiende planten nodig om de stap naar overdag te maken. Wat bracht de vlinders er dan toe om overdag te gaan vliegen? Het is natuurlijk niet met zekerheid te zeggen, maar vermoedelijk heeft dit te maken met hun grootste vijand: de vleermuis. De eerste vleermuizen zijn zo’n 52 tot 54 miljoen jaren geleden ontstaan (steekt niet op een paar miljoen jaar 😊. Of althans, het oudste fossiel van een vleermuis van het geslacht Icaronycteris dateert uit die periode. Het is dus best mogelijk dat een aantal nachtvlindersoorten daarom overdag zijn gaan vliegen. Maar als dat de reden zou zijn, waarom zijn er dan zoveel meer soorten nachtvlinders dan dagvlinders? Alleen in Nederland al kennen we zo’n 2400 soorten nachtvlinders tegen ruim 50 soorten dagvlinders? Wereldwijd is het aantal dagvlinders ongeveer 10% van het aantal nachtvlindersoorten: 17500 tegen 160000 soorten. Overigens kregen de dagvlinders overdag wel weer met een andere predator te maken, namelijk de vogels. Die bestonden toen ook al.

Gekleurd

Heel simpel gezegd zijn de dagvlinders dus voortgekomen uit de nachtvlinders. En zoals eerder aangegeven, het zijn allemaal vlinders. Er zijn een paar kleine verschillen waardoor je dag- en nachtvlinders van elkaar kunt onderscheiden. Maar nogmaals, die verschillen kun je ook ter discussie stellen, ze zijn niet heel scherp. Een verschil wat wel eens gehanteerd wordt is dat dagvlinders kleurrijker en vooral feller gekleurd zijn dan nachtvlinders. Dat klopt deels, dagvlinders hebben prachtige kleuren in vele schakeringen. En wie de foto’s van de nachtvlinders onder meer op mijn website ziet, zal zien dat deze vaak bruin of grijs zijn. Maar er zijn ook nachtvlinders wiens kleuren je tegemoet knallen. Denk alleen maar al aan het groot avondrood (Deilephila elpenor) met zijn mintgroene en zuurstokroze kleurenpracht. Of de grote beer (Arctia caja) (foto) en de hermelijnvlinders. Het is dus niet zo zwart-wit als bijvoorbeeld de peper-en-zoutvlinder (Biston betularia).

Vleugels

Een ander verschil wat vaak genoemd wordt is dat dagvlinders in rust hun vleugels samengeklapt boven het lijf houden. Dat klopt bij heel veel dagvlinders, denk bijvoorbeeld aan het groentje. Daarbij zie je meestal alleen de groengekleurde onderkant van de vleugels. Deze zit zelden met zijn vleugels open, waardoor je de bruine bovenzijde haast nooit zult zien. Maar ook deze vlieger gaat niet altijd op. Het zwartsprietdikkopje (Thymelicus lineola) (foto linksonder) klapt zijn vleugels niet boven het lichaam samen, maar zit met – al dan niet volledig – gespreide vleugels. Ook andere dikkopjes doen dat overigens. Daarnaast zijn er genoeg nachtvlindersoorten die in rusttoestand dezelfde houding aannemen als de dagvlinders. Kijk maar naar de foto van de kleine wintervlinder (Operophtera brumata) hier rechtsonder. Dus ook dit is niet echt een goed verschil te noemen.

Stealth modus

Een ander verschil zit in de beharing. Nachtvlinders hebben over het algemeen een sterk behaard lichaam, bijvoorbeeld de meriansborstel (Calliteara pudibunda) op de foto hiernaast. Die beharing heeft verschillende doelen. Ten eerste zijn alle vlinders koudbloedige dieren. Ze hebben dus externe warmte nodig om te kunnen functioneren. Ze hebben niet – zoals bijvoorbeeld vogels, zoogdieren en dus ook de mens – een inwendig ‘kacheltje’ dat hun lichaam op temperatuur houdt. Dagvlinders warmen zich op door de zon. Daarom zie je ook vrijwel alleen maar dagvlinders vliegen als het zonnetje schijnt. Op koude, bewolkte en natte dagen zul je geen dagvlinder zien. Nachtvlinders kunnen de zon niet gebruiken, maar warmen zichzelf op. Dat doen ze door met hun vleugels te trillen. En als ze eenmaal warm zijn is het natuurlijk van belang om die warmte ook zo lang mogelijk vast te houden. Lucht is een hele goede isolator en door hun bontjasje blijven ze dus lekker warm. De tweede reden van hun behaarde lichaam heeft te maken met hun vijand: de vleermuis. Vleermuizen jagen met behulp van sonar, ze stoten geluidsgolven uit en de weerkaatste golven van bijvoorbeeld een nachtvlinder vangen ze weer op. Ze weten dan precies dat er iets rondvliegt, hoe groot het is en waar het zich bevindt. De geluidsgolven worden door de beharing van de nachtvlinder echter niet teruggekaatst, maar juist geabsorbeerd. De vleermuis krijgt daardoor geen signaal terug dat er een nachtvlinder vliegt. De nachtvlinder heeft dus een soort ‘stealth’ bekleding, zoals ook bij geavanceerde militaire vliegtuigen en schepen het geval is.

Bolletje

Het meest gebruikte kenmerk om het verschil tussen dag- en nachtvlinders te duiden zit in de antennes. Dagvlinders hebben namelijk allemaal dunne sprietantennes, zowel de mannetjes als de vrouwtjes. En aan het eind van deze antennes hebben zij een klein bolletje of knopje, soms nauwelijks zichtbaar. In dat bolletje zitten de reukzintuigen van de vlinder. Er is een uitzondering hierop, namelijk de familie van de Hedylidae of wel de Amerikaanse ‘moth-butterflies’. Zij hebben geen bolletje op de antenne en toch horen zij tot de dagvlinders. Deze vlinders werden aanvankelijk dan ook lang tot de nachtvlinders gerekend. Maar onderzoek aan het eind van de vorige eeuw heeft aangetoond dat deze vlinders, maar ook hun rupsen, allerlei kenmerken hebben die eerder overeenkomen met de dag- dan met de nachtvlinders. Alhoewel andere onderzoekers dit dan weer ontkrachten. En zo blijven we lekker bezig. Er zijn ook nachtvlinders die een soort bolletje of verdikking aan het eind van de antenne hebben. Bijvoorbeeld de sint-jansvlinder (Zygaena filipendulae) hiernaast. Wat dan, om het nog lastiger te maken, een dagactieve nachtvlinder is.

Geurdrempel

Nachtvlinders hebben antennes in allerlei vormen, waarbij vooral de veervormige antennes van veel mannetjes opvallen. Bijvoorbeeld van de rietvink (Euthrix potatoria) hiernaast op de foto. Deze veervorm heeft een heel belangrijk doel, namelijk het detecteren van de feromonen van de vrouwtjes. Door de veervorm ontstaat er namelijk een heel groot oppervlak met allemaal geurgevoelige cellen. En daardoor zijn mannetjes in staat om al hele kleine hoeveelheden feromonen te ‘ruiken’. Hoewel het aantal geurgevoelige cellen (of geurreceptoren) van een vlinder (tien- tot honderdduizend) slechts een fractie betreft van dat van de mens (zes miljoen) en zeker van een hond (500 miljoen), kunnen zij al bij een veel lagere concentratie de moleculen waarnemen. Hun geurdrempel ligt op zo’n drieduizend moleculen per milliliter lucht. Bij honden ligt dat op negenduizend en bij mensen pas op 130 miljoen moleculen per milliliter. Zie ook de tabel hieronder. Een vlinder neemt dus ruim 43000 keer eerder die moleculen waar dan wij mensen. En dat is toch wel heel erg knap voor zo’n klein insect. Maar wel essentieel. Want alleen door het waarnemen van deze sekslokstoffen kan het mannetje een vrouwtje vinden. Dat doen ze niet op het oog, zoals dagvlinders wel doen.

Aantal reukcellen
Reukdrempel
(moleculen/ml lucht)
Geur
Mens6 000 000130 000 000Butylmercaptaan (geurstof aardgas)
Hond500 000 0009 000Boterzuur (zweetgeur)
Nachtvlinder10 000 – 100 0003 000Bombykol (feromoon zijderupsvlinder)

Micro’s en macro’s?

De belangrijkste verschillen tussen dag- en nachtvlinders zijn zo wel een beetje genoemd. Alhoewel, verschillen. Zoals ik al schreef zijn deze erg arbitrair en is er eigenlijk geen echt concreet verschil te noemen. En dan heb ik nog niet eens de andere vragen beantwoord: Wanneer is het nu een micronachtvlinder en wanneer een macronachtvlinder? Wat zijn de verschillen? Wat zijn motten? Dat komt in mijn volgende blogje aan bod.

Bronnen

Dit bericht heeft 8 reacties

  1. Jac Jacobs

    Theo weer bedankt voor het fantastische blog over “allemaal vlinders” weer genoten en veel geleerd. Ik heb bewondering hoeveel tijd en energie je hier in steekt. Nogmaals bedankt ik kijk uit naar je volgende blog
    gr Co

  2. Ellen

    Ik heb je blog weer met veel plezier gelezen en er ook weer een hoop van opgestoken. Je foto’s zijn ook prachtig.
    Heel veel dank en tot het volgende blog, waar ik weer naar uitkijk.
    Groetjes Ellen

    1. Theo

      Dank je Ellen en weer graag gedaan uiteraard. Ik schrijf mijn blogjes met veel plezier en zulke reacties helpen daar zeker bij 😊

  3. picpholio

    Super interessant blog Theo, hier hebben weer een en ander van opstoken ! Bedankt en geniet nog van het weekend 🙂

  4. Schelling Wanny

    Beste Theo, vooral het waarnemen van geuren door vlinders tussen de enorme `stank` van onze industrie, en auto`s, en rokende kachels. Het waarnemen van een eventuele partner.
    Zie ik een klein dwergspannertje in de tuin zitten en dan denk ik `Hoe komt die nog aan een vrouw`, in die, voor dit kleine beestje, immense wereld.

    1. Theo

      Inderdaad bijzonder Wanny. Die kleine beestjes hebben heel wat te stellen met ons.

Geef een reactie